Archief 745
Inventaris 745-305
Pagina 350
Dossier 1
Jaar 1940
Stadsarchief

Handgeschreven ambtelijke notitie of concept-advies.

Origineel

Handgeschreven ambtelijke notitie of concept-advies. [1] orde. De Verordening op
[2] de heffing van markt- , sta-
[3] en ventgelden zou dan toch
[4] moeten worden aangevuld in
[5] dien zin, dat ook de houder van
[6] een vergunning als bedoeld in het
[7] Afvalbesluit 1940 I een bedrag
[8] van f 4,- moet betalen. Dit
[9] kan m.i. niet, omdat ~~dat~~
[10] een plaatselijke belasting niet
[11] kan worden geheven ter zake
[12] van een van rijkswege af te geven
[13] vergunning (B. en W. treden
[14] hier niet op als autonoom orgaan,
[15] doch als orgaan van selfgovernment,
[16] d.w.z. ze zijn behulpzaam bij de
[17] uitvoering van een Rijkswet).

(Noot bij transcriptie: De vetgedrukte tekst in regels 10 t/m 13 is in het origineel rood onderstreept/doorgehaald.) In dit document buigt een ambtenaar of juridisch adviseur zich over de vraag of de gemeente markt- en ventgelden mag heffen bij personen die reeds een vergunning hebben op basis van het landelijke "Afvalbesluit 1940".

De schrijver stelt voor om de lokale verordening aan te vullen, zodat deze vergunninghouders een bedrag van 4 gulden (f 4,-) moeten betalen. Direct daarna volgt echter een tegenwerping ("Dit kan m.i. niet..."). De kern van de juridische discussie is de grens tussen de autonomie van de gemeente en medebewind (hier aangeduid met de Engelse term selfgovernment).

De schrijver redeneert dat het College van Burgemeester en Wethouders (B&W) in dit specifieke geval niet handelt vanuit eigen gemeentelijke bevoegdheid, maar als uitvoerder van een landelijke wet (een "Rijkswet"). Omdat de vergunning "van rijkswege" wordt afgegeven, zou de gemeente er niet zomaar een eigen plaatselijke belasting op mogen stapelen. De rode strepen door deze passage suggereren dat dit specifieke argument later is herzien of dat de auteur twijfelde over de formulering van dit verbod op dubbele heffing. Het genoemde Afvalbesluit 1940 stamt uit de vroege periode van de Duitse bezetting van Nederland. Dit besluit was bedoeld om de inzameling en verwerking van afvalstoffen en schroot (belangrijk voor de oorlogsproductie) centraal te regelen.

Het document illustreert de administratieve complexiteit van die tijd: gemeenten moesten enerzijds hun eigen huishouding en financiën (zoals marktgelden) op orde houden, maar werden anderzijds steeds vaker ingezet als instrument voor de uitvoering van landelijke (vaak door de bezetter opgelegde) regelingen. De term "selfgovernment" werd in de Nederlandse bestuurskunde van die tijd vaker gebruikt als synoniem voor medebewind, waarbij de gemeente taken uitvoert in opdracht van een hogere overheid.

Samenvatting

In dit document buigt een ambtenaar of juridisch adviseur zich over de vraag of de gemeente markt- en ventgelden mag heffen bij personen die reeds een vergunning hebben op basis van het landelijke "Afvalbesluit 1940".

De schrijver stelt voor om de lokale verordening aan te vullen, zodat deze vergunninghouders een bedrag van 4 gulden (f 4,-) moeten betalen. Direct daarna volgt echter een tegenwerping ("Dit kan m.i. niet..."). De kern van de juridische discussie is de grens tussen de autonomie van de gemeente en medebewind (hier aangeduid met de Engelse term selfgovernment).

De schrijver redeneert dat het College van Burgemeester en Wethouders (B&W) in dit specifieke geval niet handelt vanuit eigen gemeentelijke bevoegdheid, maar als uitvoerder van een landelijke wet (een "Rijkswet"). Omdat de vergunning "van rijkswege" wordt afgegeven, zou de gemeente er niet zomaar een eigen plaatselijke belasting op mogen stapelen. De rode strepen door deze passage suggereren dat dit specifieke argument later is herzien of dat de auteur twijfelde over de formulering van dit verbod op dubbele heffing.

Historische Context

Het genoemde Afvalbesluit 1940 stamt uit de vroege periode van de Duitse bezetting van Nederland. Dit besluit was bedoeld om de inzameling en verwerking van afvalstoffen en schroot (belangrijk voor de oorlogsproductie) centraal te regelen.

Het document illustreert de administratieve complexiteit van die tijd: gemeenten moesten enerzijds hun eigen huishouding en financiën (zoals marktgelden) op orde houden, maar werden anderzijds steeds vaker ingezet als instrument voor de uitvoering van landelijke (vaak door de bezetter opgelegde) regelingen. De term "selfgovernment" werd in de Nederlandse bestuurskunde van die tijd vaker gebruikt als synoniem voor medebewind, waarbij de gemeente taken uitvoert in opdracht van een hogere overheid.

Kooplieden in dit dossier 31

Aandeel Bedrijfskap.aardapp.-gross.
Afschrijving auto's
Algemene onkosten
Bananen rijpinrichting
Drukwerk & kantoorkosten
Dubieuze Debiteuren
G.G.D. In Waterlooplein
G.G.D. In Waterlooplein " 3.001,40
G.G.D. In Waterlooplein " 820,--
Gebouwen, op of tegen Waterlooplein " 1.250,--
Gebouwen, op of tegen Waterlooplein
Gebouwen, op of tegen Waterlooplein
Gebouwen, op of tegen Waterlooplein
Gebouwen, op of tegen Waterlooplein
T. Girorekening Nieuwmarkt " 6.655.58
H. van Waterlooplein Bl. Distelweg 6 huis
Intrest en kosten Middenst.bank
Licht- en trammasten en lantaarnpalen Waterlooplein
Loon en Sociale Lasten
Salaris H.G.Ruhe f 144.587.14
Stat.Reserve Centr.Werkg.Ris.Bk.
Terreinen, op Waterlooplein " 202,17
Terreinen, op Waterlooplein " 1.045,--
Te verminderen met de pensioenbijdragen, door het personeel te betalen . . . . . . . . . . . . . . Waterlooplein
Te verminderen met de pensioenbijdragen, door het personeel te betalen . . . . . . . . . . . . . . . Waterlooplein
Vinkeveen aankoop
Alle 31 kooplieden →