Archiefdocument
Origineel
22 oktober 1937. 1799 Gemeenteblad afd. 1
No. 663. Ordening schillenophalersbedrijf.
AMSTERDAM, 22 October 1937.
Aan den Gemeenteraad
In Uw vergadering van 19 November 1935 werd in onze handen ge-
steld om praeadvies een adres van de Schillenophalersvereeniging Door
Eendracht Sterk, houdende verzoek, een vergunningsstelsel in te voeren
voor het schillenophalersbedrijf.
Naar aanleiding hiervan merken wij op, dat een vergunningsstelsel,
als de adresseerende vereeniging beoogt, zou moeten zijn vastgelegd in
een verordening, welke steunt op art. 168 der Gemeentewet. De verordening
— en dus het vergunningsstelsel — zou moeten zijn vereischt in het belang
der openbare orde, zedelijkheid en gezondheid of moeten betreffen de
huishouding der Gemeente.
Wij zijn van oordeel, dat de schillenophalers door de wijze, waarop
zij tot nu toe hun bedrijf hebben uitgeoefend, nimmer gevaar hebben
opgeleverd voor de openbare orde, de zedelijkheid of de gezondheid, zoodat
daaraan geen motief kan worden ontleend tot invoering van het bedoelde
vergunningsstelsel. Adressanten beroepen zich hierop dan ook niet.
Het huishoudelijk belang der Gemeente zou bij een verordening, als
gevraagd wordt, betrokken kunnen zijn, indien de bestaansvoorwaarden
van een bepaalde belangrijke groep van burgers voortdurend zouden
worden ondermijnd of een beter bestaan aan haar zou kunnen worden
verschaft, zonder het algemeen belang te schaden.
Dit zou ook nog het geval kunnen zijn, indien door voornoemde om-
standigheden het bedrijf in een toestand zou kunnen komen te verkeeren,
waarbij het gemeentebelang zou worden geschaad.
Ook dit wordt door adressanten niet betoogd. Hun verzoek houdt feitelijk
niets anders in, dan het afsluiten van het bedrijf om daardoor voor de in
het bedrijf werkzame personen een beter bestaan verzekerd te krijgen.
Echter moet in dit verband hier worden opgemerkt, dat verreweg het
grootste deel van de 600 à 700 personen, die zich in Amsterdam bezig-
houden met het ophalen van schillen, woonachtig is in andere gemeenten.
Blijkens door de adresseerende vereeniging verstrekte gegevens, moet
slechts 18 % van het genoemde aantal personen gerekend worden, in-
gezetene van Amsterdam te zijn. Een vergunningsstelsel voor schillen-
ophalers zou derhalve voornamelijk de belangen van niet-Amsterdammers
behartigen, zonder dat bijzondere Amsterdamsche belangen zulks ver-
eischen.
Wij zijn daarom van meening, dat bij het vraagstuk der ordening van
het schillenophalersbedrijf ook de huishouding der Gemeente niet in den
eigenlijken zin van het woord is betrokken en adviseeren Uw College,
derhalve, in overeenstemming met het gevoelen van de Commissie van
Nos. 663—665. Ordening schillenophalersbedrijf; begrooting Keuringsdienst van
Waren 1938; geheim. Dit document is een ambtelijk advies aan de Gemeenteraad van Amsterdam. Het behandelt een verzoek van de beroepsvereniging van schillenophalers om een vergunningsstelsel in te voeren. De vereniging wilde hiermee de beroepsgroep 'afsluiten' om de bestaande ophalers een beter inkomen te garanderen door concurrentie tegen te gaan.
Het college adviseert echter negatief op dit verzoek op basis van twee hoofdredenen:
1. Geen wettelijke grondslag: Er is geen sprake van overlast voor de openbare orde, gezondheid of zedelijkheid die een beperkende verordening (op basis van de Gemeentewet) zou rechtvaardigen.
2. Geen Amsterdams belang: Uit statistieken blijkt dat slechts 18% van de 600 tot 700 actieve schillenophalers daadwerkelijk in Amsterdam woont. De gemeente stelt dat zij niet belast is met het beschermen van de economische belangen van personen die van buiten de stad komen, tenzij het directe belang van de gemeente Amsterdam zelf in het geding is. In de jaren '30 was het ophalen van schillen (keukenafval) een veelvoorkomend kleinschalig beroep. De ophalers verkochten de schillen aan boeren in de omgeving van de stad, die het gebruikten als veevoer voor varkens. Vanwege de economische crisis in die periode was de concurrentie op straat groot; veel werklozen probeerden op deze manier een klein inkomen te genereren.
Het document illustreert de spanning tussen de wens van beroepsgroepen om hun markt te reguleren (ordening) en de terughoudendheid van de overheid om de vrije markt in te perken zonder dat daar een dwingend algemeen belang voor is. Na de Tweede Wereldoorlog verdween dit beroep langzaam door de opkomst van de moderne vuilnisophaaldienst en strengere hygiëneregels in de veeteelt.