Ambtelijke correspondentie (doorslag/carbonkopie van een getypte brief).
Origineel
Ambtelijke correspondentie (doorslag/carbonkopie van een getypte brief). 28 december 1940. De Directeur (van een niet nader genoemde gemeentelijke dienst). De Wethouder voor de Levensmiddelen, ter plaatse (Alhier). [Handgeschreven:] extra
[Getypt:]
HG.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
1/112/2 M. 28 December 1940.
Opdrachten voor
beeldende kunstenaars.
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 19 December
jl. om advies ontvangen stuk No.1126 L.M.1940 heb ik de eer U te
berichten, dat voor mijn dienst geen opdrachten aan beeldende kunste
naars, zooals in dit stuk bedoeld, in het jaar 1941 behoeven te wor-
den verstrekt.
De Directeur, Dit document is een formeel administratief schrijven binnen een gemeentelijk apparaat (waarschijnlijk Amsterdam of een andere grote Nederlandse stad, gezien de terminologie). De tekst is opgesteld in de toen gangbare zakelijke stijl ("heb ik de eer U te berichten").
De kern van de brief is een afwijzing: de betreffende dienst heeft voor het komende jaar (1941) geen behoefte aan het verstrekken van opdrachten aan beeldend kunstenaars. Dit suggereert dat er een centrale inventarisatie plaatsvond naar mogelijke kunstprojecten of werkverschaffing voor kunstenaars voor het nieuwe begrotingsjaar. Opvallend is dat de brief gericht is aan de Wethouder voor de Levensmiddelen; dit kan betekenen dat deze wethouder een coördinerende rol had bij een specifiek project of dat de gevraagde "advies" een brede ronde langs diverse diensten betrof. De brief dateert van december 1940, ruim een half jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel het land bezet was, bleven de gemeentelijke bureaucratieën grotendeels op de oude voet doorfunctioneren.
In deze periode was de positie van kunstenaars precair. De overheid probeerde via opdrachten soms de kunstsector te ondersteunen. Echter, kort na deze brief (in 1941) zouden de bezettingsautoriteiten de Nederlandsche Kultuurkamer oprichten, waarmee de vrijheid van kunstenaars drastisch werd ingeperkt en opdrachten politiek geladen werden. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" had in 1940 een cruciale taak vanwege de invoering van de distributie (bonkaarten), wat de vraag oproept of de gezochte kunstopdrachten wellicht te maken hadden met voorlichtingsmateriaal of de inrichting van distributiekantoren.