Extract uit het Boek der Besluiten van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.
Origineel
Extract uit het Boek der Besluiten van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam. 5 januari 1940. [Stempel linksboven:] Nº 4 / 1 / 1 M.1940 1/z
[Typewerk:] No.393/203 Fin.1939.
[Handgeschreven:] 95 Am. 1940
[Typewerk rechtsboven:]
Om aan de afdeelingen der Gemeente-secretarie enz. mededeeling te doen dat de beslissing ten aanzien van de Gemeentebegrooting 1940 door Gedeputeerde Staten is verdaagd.
[Handgeschreven rechtsboven:] Marktw.
E x t r a c t
uit het Boek der Besluiten van
Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.
Vrijdag, 5 Januari 1940.
[Handgeschreven aantekening in de rechterkantlijn, onleesbaar paraaf/notitie]
De Wethouder voor de Financiën deelt aan de Vergadering mede, dat blijkens ingekomen bericht, bij besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-holland dd. 27 December 1939, No. 151 3e Afd. A de beslissing ten aanzien van de Gemeentebegrooting voor den Dienst 1940 is verdaagd, terwijl bij datzelfde besluit aan het Gemeentebestuur de machtigingen zijn verleend, bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 246 der Gemeentewet, wat laatstgenoemde machtiging betreft voor zoover daaromtrent geen Koninklijke beslissing behoort te worden afgewacht.
Op voorstel van den Wethouder voornoemd, besluit de Vergadering van dit besluit mededeeling te doen aan alle afdeelingen der Gemeentesecretarie, alsmede aan den Gemeenteontvanger, het Bureau Gemeentesecretaris, en het Pensioenbureau, met opdracht:
1o. de Hoofden der onder deze afdeelingen ressorteerende takken van dienst, of de besturen der door de Gemeente gesubsidieerde vereenigingen voor zoover elk hunner aangaat, te wijzen op de veranderingen die de begrooting tijdens de behandeling in den Gemeenteraad heeft ondergaan;
2o. de Hoofden van takken van dienst er op te wijzen, dat de door Gedeputeerde Staten aan het Gemeentebestuur verstrekte machtiging om uit de posten der begrooting 1940 uitgaven te doen geenszins beteekent, dat ten volle over de uitgetrokken bedragen mag worden beschikt, doch dat het reeds op hen gedane beroep om volle medewerking te verleenen tot het bereiken van de grootst mogelijke zuinigheid in het doen van uitgaven, waaronder de buitengewone uitgaven evenzeer worden begrepen, ten volle van kracht blijft.
EL
Voor eensluidend extract,
de Secretaris,
(get.) VAN LIER.
[Handgeschreven rechtsonder:] 4 Dit document is een officieel uittreksel (extract) van een besluit van het College van Burgemeester en Wethouders (B&W) van Amsterdam. De kern van het besluit is de mededeling dat de provincie (Gedeputeerde Staten van Noord-Holland) de definitieve goedkeuring van de gemeentebegroting voor het jaar 1940 heeft uitgesteld.
Om de stad toch draaiende te houden, zijn er tijdelijke machtigingen verleend op basis van de Gemeentewet (artikel 246). Dit stelt de gemeente in staat om noodzakelijke uitgaven te doen zonder dat de volledige begroting al formeel bekrachtigd is.
Opvallend is de sterke nadruk in punt 2 op "de grootst mogelijke zuinigheid". De ambtenaren en gesubsidieerde instellingen worden expliciet gewaarschuwd dat de beschikbaar gestelde kredieten niet automatisch volledig mogen worden opgesoupeerd. Men moet uiterst terughoudend zijn met zowel gewone als buitengewone uitgaven. De datum van het document, 5 januari 1940, is historisch zeer relevant. Nederland bevindt zich op dat moment in de periode van de 'Mobilisatie' en de 'Schemeroorlog'. Hoewel Nederland nog neutraal is, is de Tweede Wereldoorlog in de omringende landen al vier maanden gaande.
De onzekere internationale situatie en de enorme kosten van de Nederlandse defensie (mobilisatie) zorgden voor grote financiële druk op zowel het rijk als de gemeenten. De verdaging van de begrotingsbeslissing door de provincie en de dringende oproep tot zuinigheid in Amsterdam moeten in dit licht worden gezien: de overheid probeerde de financiële reserves zo veel mogelijk te sparen voor de dreigende oorlogssituatie. Slechts vier maanden na dit besluit zou de Duitse inval in Nederland plaatsvinden.