Administratieve kaart/oproepingskaart van de Dienst van het Marktwezen Amsterdam.
Origineel
Administratieve kaart/oproepingskaart van de Dienst van het Marktwezen Amsterdam. Mei – juli 1940. [Linkerkolom]
Nº 25/122/71 1940
Opgeroepen per
(datum) 10 Juni '40 (uur) 9 1/2 - 12 u.
wegens niet geregeld bezetten plaats
op de markt
Alb. Cuypstraat
Voorkeurskaart nr 525
gewaarschuwd 31/5 '40
Aan:
L. Knoop
St. Antoniesbreestraat 16 II
[Rechterkolom]
Aanteekeningen Inspecteur:
Aan oproeping
geen gevolg gegeven
intrekken
12-7-'40
[Handtekening, mogelijk deBoer]
opbergen
geschrapt
[Initialen] 12/7 '40 Het document is een officiële kaart van de Amsterdamse marktinspectie uit de vroege maanden van de Duitse bezetting. De heer L. Knoop, die een 'voorkeurskaart' (een vaste standplaatsvergunning) had voor de Albert Cuypmarkt, werd opgeroepen om zich op 10 juni 1940 te verantwoorden. De reden hiervoor was dat hij zijn plaats niet regelmatig bezette, waarvoor hij op 31 mei 1940 al een officiële waarschuwing had ontvangen.
Uit de aantekeningen van de inspecteur blijkt dat de heer Knoop niet op de oproeping is verschenen ("geen gevolg gegeven"). Hierop besloot de inspectie op 12 juli 1940 de vergunning in te trekken. De kaart is vervolgens gemarkeerd als 'geschrapt' en gearchiveerd. De datum en locatie van dit document zijn historisch zeer relevant. De heer L. Knoop woonde in de Sint Antoniesbreestraat, destijds het hart van de Joodse buurt in Amsterdam. Onderzoek in oorlogsarchieven bevestigt dat op dit adres Levie Knoop (geboren 1885) woonde, die van beroep marktkoopman was.
Hoewel de formele uitsluiting van Joden van de markten door de bezetter pas later (begin 1941) stapsgewijs werd ingevoerd, laat dit document zien hoe marktkooplieden al vlak na de inval in mei 1940 in de problemen kwamen met hun nering. Het feit dat hij niet kwam opdagen bij de inspectie en zijn plek niet meer bezette, kan wijzen op de ontreddering of persoonlijke omstandigheden direct na de capitulatie. Levie Knoop is later in de oorlog gedeporteerd en in 1943 vermoord in Sobibor. Dit document vormt daarmee een administratief spoor van het begin van de economische uitsluiting van een Joodse Amsterdammer.