Ambtelijke notitie / Bijblad van een dossier.
Origineel
Ambtelijke notitie / Bijblad van een dossier. [Linksboven, in stempelkader:]
BIJBLAD VAN:
M. No. 25/218/1 1940
DOORGEZONDEN: 4/11
[Rechtsboven, in potlood:]
935
[Middenboven, handgeschreven:]
B. Davidson - van Buuren
pl. 264 Alb. Cuypstraat.
24 Oct ’40 gevraagd om geregeld van
plaats gebruik te maken.
ook plaats Westerstraat
[Midden, met doorstalingen:]
Het verzoek van B. Davidson-v. Buuren
~~om toe te staan slechts~~ ~~eenmaal per week~~ een plaats op de
markt Alb. Cuypstraat in te nemen, dient
m.i. te worden afgewezen.
[Rechtsonder, datering en paraaf:]
5-11-’40
[Handtekening/Paraaf, mogelijk De Haan]
[Linksonder, in rood en zwart:]
7/11/40 [Paraaf]
25/218/2 4
[Linksonder, in kleine druk:]
Alg. Zaken Model No. 14
10.000-10-1937-1016 Dit document betreft de administratieve afhandeling van een verzoek van mevrouw B. Davidson-van Buuren voor een vaste marktplaats op de Albert Cuypmarkt (plaatsnummer 264) en de Westermarkt in Amsterdam.
Het procesverloop is als volgt:
1. 24 oktober 1940: Mevr. Davidson-van Buuren dient een verzoek in om "geregeld" (vast) gebruik te maken van haar marktplaats.
2. 4 november 1940: Het dossier wordt doorgezonden voor advies.
3. 5 november 1940: Een ambtenaar adviseert het verzoek af te wijzen ("dient m.i. te worden afgewezen"). In de tekst is te zien dat er getwijfeld is over een tussenoplossing (slechts eenmaal per week), maar ook deze opties zijn doorgestreept.
4. 7 november 1940: Het besluit wordt administratief verwerkt onder een nieuw volgnummer (25/218/2).
De toon van de notitie is kort en zakelijk, kenmerkend voor de ambtelijke hiërarchie van die tijd. Het document is gedateerd in november 1940, slechts enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De naam "Davidson-van Buuren" is een typisch Joodse naam.
Tijdens deze periode begonnen de bezettingsautoriteiten met de systematische uitsluiting van Joden uit het openbare leven en de economie. Op de Amsterdamse markten werden Joodse kooplieden in de loop van 1940 en 1941 steeds vaker geweerd of beperkt in hun vrijheid. De afwijzing van dit verzoek om een "geregelde" (vaste) plek moet zeer waarschijnlijk in dit licht worden gezien: het was een vroege stap in de uitsluiting van Joodse ondernemers van de algemene markten zoals de Albert Cuyp. Kort daarna, in 1941, zouden er specifieke "Joodse markten" worden ingesteld, waar Joodse kooplieden naartoe werden gedreven voordat zij hun handel volledig moesten staken. B. Davidson M. No Gemeente Amsterdam