Het document is een zakelijk verzoek van een Amsterdamse marktkoopman, M. Werkendam, gericht aan een (niet genoemde) autoriteit, waarschijnlijk de marktmeester of de gemeente. De kern van het schrijven is tweeledig: 1. De schrijver geeft aan dat hij voor zijn handel een staanplaats van 6 tot 9 meter nodig heeft. 2. Hij verzoekt om een officiële vergunning voor "assistentie". Hij heeft zijn broeder (M. Werkendam jr.) in vaste dienst genomen omdat zijn vrouw het werk fysiek niet meer alleen aan kan. De toon is uiterst beleefd en formeel, wat gebruikelijk was voor correspondentie met overheidsinstanties in die periode. Opvallend is de spelling "mogentlijk", een archaïsche vorm van 'mogelijk' die tot in de vroege 20e eeuw voorkwam.
De brief geeft een inkijkje in het Amsterdamse marktleven van de vroege 20e eeuw. De genoemde **Westerstraat** in de Jordaan is nog steeds een bekende locatie voor de maandagochtendmarkt. De adressen van de broers (**Pres. Steynstraat** en **Laingsnekstraat**) bevinden zich in de Transvaalbuurt in Amsterdam-Oost. Deze buurt werd gebouwd aan het begin van de 20e eeuw en kende tot de Tweede Wereldoorlog een grote Joodse populatie, waaronder veel marktkooplieden. De familienaam Werkendam was in die tijd een bekende naam binnen de Joodse gemeenschap van Amsterdam. Het document illustreert hoe kleinschalige familiebedrijven destijds opereerden en hoe strikt de regelgeving rondom marktvergunningen en personele bezetting (assistentie) was.