Ambtelijke notitie/memorandum op een voorgedrukt formulier ("Bijblad van").
Origineel
Ambtelijke notitie/memorandum op een voorgedrukt formulier ("Bijblad van"). [Stempel/Kader linksboven]
BIJBLAD VAN:
M. No. 30/50/1 1940
DOORGEZONDEN: 19/8-'40
[Tekst rechtsboven]
J. Cohen pl. 198 Waterlooplein
" 301 Uilenburg
Chef Wplein en Uilenb.
advies s.v.p.
[Hoofdtekst]
Het verzoek van J. Cohen om zijn plaats op de markt Waterlooplein één maal per week te mogen innemen moet m.i. worden afgewezen.
Aan Cohen moet worden bericht dat hij van heden af, zijn plaats geregeld d.i. twee maal per week moet innemen, daar anders de plaats wordt ingetrokken (zie rapport Marktambtenaar)
[Onderaan]
10-9-'40
de Haan
[Aantekeningen onderaan]
30/50/2 [in rood]
2. 16/9/40 HS * Inhoud: De notitie betreft een afwijzing van een verzoek van marktkoopman J. Cohen. Cohen wilde zijn marktplaats op het Waterlooplein slechts één keer per week bezetten in plaats van de reglementaire twee keer.
* Besluitvorming: De ambtenaar (waarschijnlijk De Haan) adviseert het verzoek af te wijzen ("moet m.i. worden afgewezen"). Er wordt gedreigd met het intrekken van de vergunning voor de standplaats als Cohen niet aan de wekelijkse verplichting van twee marktdagen voldoet. Er wordt verwezen naar een eerder rapport van een marktambtenaar.
* Taalgebruik: Formeel ambtelijk Nederlands uit de vooroorlogse/vroege oorlogsperiode. Afkortingen zoals "m.i." (mijns inziens) en "d.i." (dat is) zijn typerend.
* Administratieve gang: Het document laat een proces zien van midden augustus (doorzending) tot midden september 1940 (uiteindelijke afhandeling/paraaf). Dit document dateert van september 1940, slechts enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De locaties die worden genoemd — het Waterlooplein en de wijk Uilenburg — vormden het hart van de Joodse buurt in Amsterdam. De naam J. Cohen bevestigt dat dit zeer waarschijnlijk een Joodse marktkoopman betrof.
Hoewel de notitie op het eerste gezicht over strikt administratieve marktregels gaat (bezettingseisen), is de context van de vroege bezettingstijd cruciaal. In deze periode begon de stapsgewijze uitsluiting van Joodse burgers uit het economische leven. Het strikt handhaven van regels door de gemeente Amsterdam, zoals de verplichting om een standplaats minimaal twee keer per week te bezetten op straffe van intrekking, maakte het voor Joodse handelaren in een onzekere tijd extra moeilijk om hun broodwinning te behouden. Dit type documentatie is vaak terug te vinden in dossiers die de bureaucratische afhandeling van de Jodenvervolging en de inperking van hun bewegingsvrijheid in de stad illustreren.