Archief 745
Inventaris 745-327
Pagina 73
Dossier 22
Jaar 1940
Stadsarchief

Archiefdocument

1930 (met betrekking tot de telling gehouden tussen 20 mei en 20 juni 1930).

Origineel

1930 (met betrekking tot de telling gehouden tussen 20 mei en 20 juni 1930). [Linkerpagina: VIII]

Page
16 Les ouvriers journaliers occupés pendant le printemps, l'été et l'automne dans les entreprises de différente étendue, d'après le sexe et l'âge .... 39
17 Nombre, superficie et bétail des entreprises des personnes qui enlèvent à domicile des restes ménagers .... 39
IV Horticulture .... 40
18 Nombre et superficie des entreprises de culture maraîchère et de floriculture de différente étendue, d'après les terres possédées en propre ou prises à ferme, en comparaison avec le recensement de 1921 .... 40
19 Superficie de vitres et nombre de machines dans les entreprises de différente étendue .... 41
20 Les personnes occupées dans les entreprises de différente étendue, d'après l'âge, le sexe la position dans l'entreprise .... 41
V Entreprises mixtes .... 42
21 Nombre et superficie des entreprises de différente étendue, d’après les terres possédées en propre ou prises à ferme et d'après la nature des terres en culture, en comparaison avec le recensement de 1921 .... 42
22 Le cheptel dans les entreprises de différente étendue, en comparaison de 1921 .... 43
23 Le nombre des machines agricoles de différente espèce en propriété, en copropriété et en location auprès des entreprises de différente étendue .... 44
24 Les personnes occupées dans les entreprises de différente étendue, d'après l'âge, le sexe et la position dans l'entreprise .... 45
25 Les ouvriers journaliers occupés pendant le printemps, l'été et l'automne dans les entreprises de différente étendue, d'après le sexe et l'âge .... 46
VI Les entreprises agricoles et horticoles exploitées à titre accessoire .... 47
26 Nombre et superficie des entreprises de différente étendue, d'après les terres possédées en propre ou prises à ferme et d’après la nature des terres en culture, en comparaison avec le recensement de 1921 .... 47
27 Le bétail des entreprises de différente étendue dans les différentes branches, en comparaison avec le recensement de 1921 .... 48

[Rechterpagina: 5]

[Stempel: MARKTWEZEN AMSTERDAM]

5
INLEIDING.

§ 1. Organisatie en bewerking der telling.

De, op last van den Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw, tusschen 20 Mei en 20 Juni 1930 gehouden landbouwtelling sloot zich in hoofdzaak aan bij die, welke in denzelfden tijd van 1921 heeft plaats gehad. Onder de telling vielen dus allen — zoowel natuurlijke als rechtspersonen —, die vee (paarden, rundvee, schapen, varkens, geiten, kippen, eenden en bijen) houden of ten minste 5 are land (bouwland, grasland en tuingrond) gebruiken, de oppervlakte van woning, erf, terrein van vermaak, enz. niet medegerekend, met dien verstande, dat het vee steeds moest worden geteld, onverschillig voor welk doel het werd gehouden, en onverschillig, of het veebezit al dan niet met onder de telling vallend grondgebruik gepaard ging. Van een bakker bijv., die een tuin heeft van 4 are, viel het grondgebruik buiten de telling, maar had hij een paard, dan was dit in de veetelling op te nemen. Kippen of eenden, gehouden in de bebouwde kom van het stedelijk deel der gemeente zijn, voorzoover ze alleen voor eigen gebruik dienden, niet geteld. Ook de bij het leger in gebruik zijnde paarden zijn buiten de telling gehouden.

De telling is weder opgedragen aan de burgemeesters en dus per gemeente uitgevoerd, hetwelk een moeilijkheid geeft ten opzichte van bedrijven, die zich over meer dan een gemeente uitstrekken. Ten einde het inzicht in den bedrijfsomvang niet te verstoren, zijn deze bedrijven met hun geheele oppervlakte en veebeslag geacht te behooren tot de gemeente, waarin de bedrijfsgebouwen gelegen zijn, en dus aldaar geteld.

Het onderscheid tusschen de telling van 1930 en die van 1921 bestaat hierin, dat in 1930 de vragen omtrent het grondgebruik en den veestapel iets meer in onderdeelen afdalen, terwijl — en dat is de belangrijkste wijziging — wat den tuinbouw betreft in zooverre een nieuw gebied is betreden, dat vragen omtrent de hoeveelheid plat glas en de oppervlakte bedekt met verwarmd en onverwarmd staand glas zijn gesteld, ten einde een inzicht in den omvang van de glascultuur te verkrijgen.

Omtrent het grondgebruik werd in 1921 gevraagd naar het eigen en het gepachte land, hoeveel van de geheele oppervlakte van het bedrijf bestond uit a) bouwland en tuingrond en b) grasland en ten slotte hoeveel van het gepachte land van ouders in huur was. De aanvulling in 1930 bestond slechts hierin, dat de oppervlakte bouwland en tuingrond afzonderlijk moest worden opgegeven en tevens hoeveel van het bouwland, den tuingrond en het grasland (eveneens van ieder afzonderlijk) met boomgaarden ¹) is bezet.

Wat het vee betreft gingen de vragen omtrent de paarden en de varkens wat meer in bijzonderheden dan in 1921. Van de paarden werd in 1930 niet alleen gevraagd het aantal beneden en boven 3 jaar, maar ook het aantal in 1930 geboren veulens, terwijl die boven 3 jaar werden onderscheiden in type rij- en tuigpaard, type trekpaard en hitten. De varkens, waarvan bij de telling van 1921 slechts het aantal boven en dat beneden 6 weken werd gevraagd, werden thans onderscheiden in 5 groepen, nl. beneden 6 weken, van 6 weken tot 60 K.G., van 60—100 K.G. en van 100 K.G. en daarboven en fokzeugen.

Het doel der telling wordt in de aan de burgemeesters gezonden toelichting als volgt omschreven: Het verkrijgen van een zoo nauwkeurig mogelijk overzicht omtrent:
a het aantal en de grootte der land- en tuinbouwbedrijven;
b het grondgebruik der landarbeiders;
c het voorkomen van eigendom en pacht;
d de oppervlakte bouwland, tuingrond en grasland in elke gemeente;
e den omvang van de glascultuur;
f de sterkte van den veestapel.


¹) Boomgaarden komen in het Amsterdamsche gebied nagenoeg niet voor, waarom er ook in de tabellen dezer publicatie geen melding van gemaakt is. Dit document vormt de inleiding tot de resultaten van de Nederlandse Landbouwtelling van 1930. Het biedt inzicht in de methodologie en de reikwijdte van het onderzoek. Belangrijke punten uit de tekst zijn:
* Methodologische consistentie: Er wordt een directe vergelijking getrokken met de telling van 1921 om trends over een decennium te kunnen analyseren.
* Verfijning van gegevens: De telling van 1930 is gedetailleerder dan de voorgaande. Met name de opkomst van de glascultuur (tuinbouw onder glas) wordt als een belangrijke nieuwe categorie geïntroduceerd. Ook de classificatie van vee (paarden en varkens) wordt verder gespecificeerd op basis van type, leeftijd en gewicht.
* Administratieve structuur: De uitvoering lag bij de gemeenten (burgemeesters), waarbij specifieke regels golden voor bedrijven die gemeentegrenzen overschreden.
* Lokale context: De stempel van het "Marktwezen Amsterdam" en de voetnoot over het gebrek aan boomgaarden in de regio Amsterdam wijzen erop dat dit exemplaar specifiek werd gebruikt voor of door de Amsterdamse gemeentelijke diensten. De landbouwtelling van 1930 vond plaats tijdens het interbellum, een periode waarin de Nederlandse landbouw en tuinbouw een sterke rationalisatie en modernisering ondergingen. De overstap naar meer gespecialiseerde tuinbouw (onder glas) was een cruciale economische ontwikkeling. Dergelijke statistieken waren essentieel voor het Ministerie van Binnenlandsche Zaken en Landbouw om beleid te formuleren, zeker gezien de economische onzekerheid na de beurskrach van 1929. Het document illustreert de bureaucratische zorgvuldigheid waarmee de staat de nationale productiecapaciteit in kaart probeerde te brengen. Marktwezen

Samenvatting

Dit document vormt de inleiding tot de resultaten van de Nederlandse Landbouwtelling van 1930. Het biedt inzicht in de methodologie en de reikwijdte van het onderzoek. Belangrijke punten uit de tekst zijn:
* Methodologische consistentie: Er wordt een directe vergelijking getrokken met de telling van 1921 om trends over een decennium te kunnen analyseren.
* Verfijning van gegevens: De telling van 1930 is gedetailleerder dan de voorgaande. Met name de opkomst van de glascultuur (tuinbouw onder glas) wordt als een belangrijke nieuwe categorie geïntroduceerd. Ook de classificatie van vee (paarden en varkens) wordt verder gespecificeerd op basis van type, leeftijd en gewicht.
* Administratieve structuur: De uitvoering lag bij de gemeenten (burgemeesters), waarbij specifieke regels golden voor bedrijven die gemeentegrenzen overschreden.
* Lokale context: De stempel van het "Marktwezen Amsterdam" en de voetnoot over het gebrek aan boomgaarden in de regio Amsterdam wijzen erop dat dit exemplaar specifiek werd gebruikt voor of door de Amsterdamse gemeentelijke diensten.

Historische Context

De landbouwtelling van 1930 vond plaats tijdens het interbellum, een periode waarin de Nederlandse landbouw en tuinbouw een sterke rationalisatie en modernisering ondergingen. De overstap naar meer gespecialiseerde tuinbouw (onder glas) was een cruciale economische ontwikkeling. Dergelijke statistieken waren essentieel voor het Ministerie van Binnenlandsche Zaken en Landbouw om beleid te formuleren, zeker gezien de economische onzekerheid na de beurskrach van 1929. Het document illustreert de bureaucratische zorgvuldigheid waarmee de staat de nationale productiecapaciteit in kaart probeerde te brengen.

Producten

A.G.F. (Groenten): Groente A.G.F. (Groenten): Sla Dieren: Kippen Huishoudelijk: Glas Olie & Techniek: Machine Olie & Techniek: Olie Vis & Zee: Aal Vis & Zee: Vis Vleeswaren: Kip Vleeswaren: Rund Vleeswaren: Varken Vleeswaren: Vlees

Thema's

Jodenster/Maatregelen

Organisaties

Marktwezen

Kooplieden in dit dossier 100

Aantal *Nombre* 100.—
Aantal *Nombre* 89.7
Aantal Nombre
Aantal Nombre
Aantal Nombre
A. Kooy Pzn.
Alle bedrijven samen¹).. *Ensemble* — 1,2
S. Montezinos *Ensemble.*
Alle bedrijven te zamen *Ensemble* — 2,0
Alle bedrijven te zamen *Ensemble* 868,5
Alle bedrijven te zamen *Ensemble* 4,35
Alle bedrijven te zamen *Ensemble* 100
Alle bedrijven te zamen *Ensemble* ..... 25,1
Alle bedrijven te zamen. *Ensemble* 1,17
Alle bedr. te zamen + 109,9
Vriens. 38,9
Amsterdammerpolder, Groote IJ-, Overbraker Binnen- en Buiten-, Spieringhorner Binnen- en Buitenpolder 32 (306.49 ha)
Ander mestvee 80.879
Ander rundvee......... 100
Alle 100 kooplieden →