Gedrukt verslag/publicatie (pagina 2 en 3).
Origineel
Gedrukt verslag/publicatie (pagina 2 en 3). [Pagina 2]
2
Hieruit blijkt, dat ook bij de laatste telling het doel niet verder strekte dan het verkrijgen van de meest elementaire gegevens omtrent den aard en de grootte der bedrijven. Deze gegevens zijn evenwel niet voldoende om een beeld te geven van den stand van den hedendaagschen landbouw, zooals zich die in ons land — en ook in Amsterdam — tot een intensief en met moderne hulpmiddelen gedreven bedrijf heeft ontwikkeld.
Daartoe zouden noodig zijn gegevens omtrent het aantal arbeidskrachten, het gebruik van landbouwwerktuigen, den bedrijfsvorm, de financiering (hypotheek, bankcrediet, voorschot van suikerfabrieken) e.d.
Daar nu Amsterdam sedert de grensregeling van 1921 een vrij aanzienlijk landbouwgebied omvat (terwijl bijv. de geheele oppervlakte landbouwgrond van Amsterdam 8610 H.A. beslaat, is deze in Haarlemmermeer, een der grootste landbouwgemeenten van ons land, niet meer dan het dubbele daarvan, nl. 17126 H.A.) en kennis daaromtrent, zoowel voor het gemeentebestuur als anderen van belang moet worden geacht, werd dan ook, nu eenmaal de gelegenheid zich voordeed van den aard van land- en tuinbouw op de hoogte te komen, met instemming van de Commissie voor de landbouwstatistiek¹) besloten zich niet tot de vragen van het rijk te beperken, maar van die gelegenheid gebruik te maken om nog eenige andere vragen te stellen, welke wat meer licht over den stand van de ontwikkeling konden verspreiden. Met het oog op de inrichting van de telling kon daarbij echter niet verder worden gegaan dan het stellen van aanvullende vragen omtrent enkele der genoemde onderwerpen. Er was nl. rekening mede te houden, dat een verplichting tot beantwoording van deze vragen niet bestaat (een verplichting, welke voor de Rijkstelling, anders dan bij de Volks- en de Bedrijfstelling, trouwens evenzeer ontbrak ²), terwijl men bij een groot deel van de landbouwende bevolking zelve een zekeren weerzin tegen tellingen ontmoet, voortspruitende uit de vrees, dat deze ook voor fiscale doeleinden dienen. Bovendien was de tijd van voorbereiding gering (het bericht, dat een telling zou worden gehouden, ging de telling zelve slechts een maand vooraf).
Dit alles in aanmerking genomen, werd besloten van gemeentewege in te stellen aanvullend onderzoek te beperken tot:
a de arbeidskrachten, onderscheiden naar bedrijfshoofden, medewerkende gezinsleden, vaste en losse arbeiders, elk dezer groepen weder onderscheiden naar mannen en vrouwen en boven en beneden 21 jaar;
b het gebruik van de moderne landbouwwerktuigen, onderscheiden in drie groepen, nl. die in eigen bezit, in gemeenschappelijk bezit en in huur, en
c het gebruik van tractoren, eveneens onderscheiden naar de, in sub b genoemde, drie groepen.
Verder zij nog opgemerkt, dat ter vermijding van fouten bij de invulling en ter vergemakkelijking van de bewerking der uitkomsten, voor deze telling geen gebruik is gemaakt van de van rijkswege verstrekte tellijsten, maar van speciale door het Bureau van Statistiek ontworpen individueele telkaarten. Voor elk bedrijf is dus een afzonderlijke kaart ingevuld.
Als tellers zijn, onder leiding van het Bureau van Statistiek, opgetreden de leden van de reeds genoemde Commissie voor de landbouwstatistiek en de beide landbouwers, die gewoonlijk bij het verzamelen van de gegevens voor het Rijkslandbouwverslag medewerken, ieder voor dat deel van de gemeente, waarvoor hij gewoon is dat werk te verrichten. De medewerking van deze personen, die allen zelf landbouwer of veehouder en met de plaatselijke toestanden in het hun toegewezen gebied op de hoogte zijn, is den uitkomsten der telling ongetwijfeld ten goede gekomen. De politie telde de paarden in het stadsgedeelte der gemeente.
Verklaard kan worden, dat de medewerking der getelden goed was en alle inlichtingen welke gevraagd werden, zijn verkregen.
De resultaten der bewerking, welke bij deze nieuwe materie meer tijd heeft gekost dan was voorzien, worden in het volgende overgelegd. Daaraan zijn ter vergelijking, voor zoover dat mogelijk was, cijfers van de telling van 1921 toegevoegd. Hoe belangrijk het ook zou geweest zijn, den toestand van vóór den oorlog mede in de vergelijking te betrekken, hiervan moest worden afgezien, omdat het grootste deel van het tegenwoordige landbouwgebied toen nog niet tot gemeente behoorde.
¹) Deze commissie bestaat uit, door den Minister van Binnenlandsche Zaken en Landbouw benoemde, deskundigen om den burgemeester bij te staan bij het verzamelen van de gegevens voor het Rijkslandbouwverslag en het Oogstbericht. In 1923 heeft de Minister in elke gemeente, waar de landbouw van beteekenis is, een dergelijke commissie ingesteld.
²) In de reeds genoemde toelichting wordt dan ook den tellers de raad gegeven om, als men de gevraagde gegevens weigert te verstrekken of de verstrekte gegevens klaarblijkelijk onjuist zijn, inlichtingen bij de buren te vragen. Als de teller ook daar niet slaagt, kan met invulling ter secretarie van op schatting berustende gegevens worden volstaan.
[Pagina 3]
3
De publicatie bestaat uit twee deelen. Het eerste omvat eenige algemeene overzichten van de gezamenlijke bedrijfstakken. In tabel 1 zijn dan ook alle bedrijven bijeen gevoegd, onverschillig tot welken bedrijfstak ze behooren, terwijl in de overige tabellen (2—4) vergelijke overzichten van de verschillende bedrijfstakken worden gegeven.
De bedrijven van niet-landbouwers, als vrachtrijders, bakkers, bierbrouwerijen, stalhouderijen, die echter over paarden beschikken, waarvan mede een telling is gehouden, zijn niet in de statistiek opgenomen, behalve wat die paarden betreft. Deze zijn vermeld in de kolom „andere" van het algemeene overzicht van den veestapel (tabel 3).
Het tweede deel wordt gevormd door de overzichten van elk der bedrijfstakken op zich zelve (rubrieken II t.m. V, resp. de akkerbouw, de veehouderij, de tuinbouw en het gemengde bedrijf) en verder door rubriek VI, waarin eenige tabellen vereenigd zijn betreffende de door het hoofd als nevenbedrijf uitgeoefende land- en tuinbouwbedrijven.
Aangezien de ontwikkeling van de bedrijven naar grootte, veebeslag, machinale uitrusting, het zuiverst tot uitdrukking komt bij bedrijven, welke als hoofdbedrijf worden uitgeoefend en dus het eenige, althans voornaamste middel van bestaan van het bedrijfshoofd vormen, zijn n.l. die land- en tuinbouwbedrijven, welke door het hoofd als nevenbedrijf worden uitgeoefend (de landarbeidersbedrijfjes inbegrepen), buiten de statistiek van de afzonderlijke bedrijfstakken gehouden. Niettemin werden ze in enkele tabellen van de Algemeene overzichten opgenomen: hun aantal en oppervlakte in tabel 1 en hun veebeslag in tabel 3.
Wat de indeeling der bedrijven in de verschillende grootteklassen betreft, dient het volgende te worden opgemerkt. In den akkerbouw bestaat als regel een deel van den tot het bedrijf behoorenden grond uit blijvend grasland, terwijl in de veehouderij hier en daar een bedrijf over een kleine oppervlakte bouwland beschikt. Daar uit een bedrijfsoogpunt bezien, dit blijvend grasland, resp. bouwland in al die gevallen met de andere gronden een organisch geheel uitmaakt, is als maatstaf voor de indeeling de totale oppervlakte genomen, waarover het bedrijf beschikt, dus ongeacht den aard van de gronden. Dienvolgens is uit de in tabel 2 voorkomende cijfers van den door elk der bedrijfstakken gebruikten grond niet op te maken de oppervlakte bouwland, grasland en tuingrond in de gemeente. Echter is het van belang te weten, in welke mate in de akkerbouwbedrijven blijvend grasland, in de veehouderij bouwland wordt gebruikt. Daarom is in de overzichten van elk der bedrijfstakken op zich zelve, voor iederen bedrijfstak een tabel opgenomen, waaruit blijkt, uit welke soorten land de gronden bestaan.
Ten slotte zij nog vermeld, dat bedrijven, die gedeeltelijk met eigen, gedeeltelijk met gepacht land werken, bij de onderscheiding naar eigen en gepachte bedrijven, wat de aantallen betreft, gebracht zijn onder de rubriek, waartoe het grootste deel behoort; was meer dan de helft gepacht land, dan onder gepacht, minder onder eigen. Bij de rubriceering naar de oppervlakte is steeds al het eigen resp. gepachte land bijeengevoegd, onverschillig of het in één bedrijf met gepacht, resp. eigen land was samengevoegd of niet.
§ 2. De resultaten van de telling.
a. Algemeen overzicht.
Zoowel met het oog op eventueele vergelijking met cijfers omtrent andere deelen des lands, zooals deze beschikbaar zullen zijn, als de resultaten van de rijkstelling zijn gepubliceerd, als tot goed begrip van de cijfers dezer publicatie zelve, moge aan het overzicht van den inhoud der verschillende tabellen een omschrijving voorafgaan van het karakter der voornaamste in deze gemeente voorkomende takken van het agrarisch bedrijf, te meer, omdat de cijfers zelve, mede door de beperktheid der telling, hieromtrent niet in alle opzichten duidelijk genoeg spreken. Die takken van bedrijf loopen nl. in de verschillende deelen des lands zeer uiteen, zoowel naar den aard der gronden, waarop zij worden uitgeoefend, als naar den trap van ontwikkeling: een bouwboerderij op de klei is een ander bedrijf dan op het zand, een grasboerderij met uitsluitend stamboekvee staat op een gansch ander peil dan een bedrijf met een veebeslag van min of meer wrakke dieren; in den tuinbouw staat de teelt van kool, aardappelen e.d. naast de uiterst intensieve warenhuiscultuur. Zooals van zelf spreekt kunnen deze voorbeelden gemakkelijk met tal van andere worden vermeerderd.
Wat nu den Amsterdamsche akkerbouw betreft, deze verbouwt alle gewassen, welke op de klei worden geteeld, onder toepassing van de moderne methoden van grondbewerking en oogsten, zooals ook blijkt uit de ruime toepassing, zelfs in de kleine bedrijven, van de moderne landbouwwerktuigen.
--- * Inhoud: Het document bespreekt de methodiek en de eerste resultaten van een specifieke landbouwtelling in Amsterdam. De auteur legt uit dat de standaard Rijkstelling tekortschoot voor de Amsterdamse situatie, vooral na de grote annexaties van 1921. Er is specifiek onderzoek gedaan naar arbeidskrachten en mechanisatie (werktuigen en tractoren).
* Methodologie: Er werd gebruik gemaakt van individuele telkaarten in plaats van de standaard rijkslijsten. De tellers waren lokale deskundigen (landbouwers) om de betrouwbaarheid te verhogen, aangezien er wantrouwen bestond onder de boeren (vrees voor belastingheffing).
* Classificatie: Het verslag detailleert hoe bedrijven worden ingedeeld (akkerbouw, veehouderij, tuinbouw, gemengd) en hoe omgegaan wordt met nevenbedrijven en de verhouding tussen eigen en gepachte grond.
* Toon: Technisch, administratief en verantwoording afleggend. Er spreekt een zekere trots uit over de "moderne methoden" en de intensiteit van de Amsterdamse landbouw.
--- * Historische betekenis: In 1921 annexeerde Amsterdam de omliggende gemeenten Sloten, Buiksloot, Nieuwendam, Ransdorp en Watergraafsmeer. Hierdoor veranderde Amsterdam in één klap van een compacte stad in een gemeente met een enorm agrarisch achterland (het "landbouwgebied van Amsterdam").
* Economische overgang: Het document markeert de transitie van traditionele landbouw naar moderne, gemechaniseerde bedrijfsvoering. De nadruk op "warenhuiscultuur" (glastuinbouw) en tractoren laat zien dat de Amsterdamse periferie in die tijd zeer innovatief was.
* Statistiek: Het Bureau van Statistiek der Gemeente Amsterdam stond in die tijd bekend om zijn grondige en wetenschappelijke aanpak, vaak verder gaand dan de landelijke richtlijnen, wat in dit document expliciet wordt bevestigd.