Archiefdocument
Origineel
Gegevens over de landbouwtelling van 20 mei tot 20 juni 1930, met vergelijkingen naar 1921. [Linkerpagina]
14
0,75—1 H.A. in het oog. Deze vormen thans dan ook 28,1 % van het aantal en 21,4 % van de totale oppervlakte, tegen resp. 3,9 % en 2,0 % in 1921.
Het zijn, zooals uit onderstaand overzicht van het gebruik van glas en de aangewende arbeidskracht te zien is, de bedrijven tusschen 0,25 H.A. en 2,00 H.A., waar de cultuur het intensiefst wordt gevoerd. De bedrijven boven 2,00 H.A. zijn van anderen aard, in zooverre daar niet alleen de glascultuur op den achtergrond komt, maar ook, hetzij nevens de op blz. 4 genoemde hetzij uitsluitend andere producten, zooals vroege aardappelen, kool, e.d., worden gekweekt.
M². glas per H.A. Vitres en M². par hect. Aantal werkweken per H.A.
Nombre des sem. de trav. par hect. waaronder van losse arbeiders dont d'ouvriers journaliers.
| Bedrijfsgrootte | Plat A plat | Onverw. st. Non chauff., inclin. | Verw. staand Chauff. inclin. | Totaal Total | Waaronder losse arbeiders |
|---|---|---|---|---|---|
| 0,05—0,25 H.A. | 335,2 | — | — | 502,1 | — |
| 0,25—0,50 „ | 1754,0 | — | — | 230,5 | 4,02 |
| 0,50—0,75 „ | 2275,0 | 51,9 | — | 160,9 | 11,41 |
| 0,75—1,00 „ | 1870,2 | 53,2 | 12,0 | 146,9 | 5,46 |
| 1,00—1,25 „ | 1310,0 | 38,6 | 20,9 | 123,5 | 4,02 |
| 1,25—1,50 „ | 1262,0 | — | 166,1 | 111,1 | 13,29 |
| 1,50—2,00 „ | 537,2 | 72,6 | 30,0 | 86,8 | 2,26 |
| 2,00—2,50 „ | 269,3 | 60,6 | — | 71,4 | 3,80 |
| 2,50—5,00 „ | 27,2 | 72,0 | — | 54,1 | — |
| 5,00 H.A.— „ | 11,2 | — | — | 45,4 | 3,57 |
| Alle bedrijven te zamen Ensemble | 1078,0 | 49,0 | 17,9 | 112,5 | 4,35 |
Zooals deze cijfers te zien geven, beperkt de glascultuur zich nagenoeg geheel tot die onder plat glas, waaruit blijkt, dat de Amsterdamsche tuinbouw een gansch ander karakter draagt dan de warenhuiscultuur van het Westland. Toch zijn reeds hier en daar stappen gedaan tot uitbreiding der cultuur met een enkel warenhuis-gewas (tomaten), zooals uit het voorkomen van eenig verwarmd staand glas, (voornamelijk in de klasse 1,25—1,50 H.A.) te zien is.
Behalve hier en daar een handzaaimachinetje, komen in de groenteteelt geen machines voor.
De bloemisterij heeft, althans als zelfstandig bedrijf, weinig beteekenis: de belangrijkste bloemkweekerijen behooren aan groote bloemenwinkels in de stad. In het geheel zijn er slechts 18 met een oppervlakte van 12,715 H.A.
4. Gemengde bedrijven.
Gewoonlijk wordt onder gemengd bedrijf de samenvoeging van akkerbouw en veehouderij verstaan, veehouderij in den zin dat melkvee wordt gehouden om de producten daarvan te verkoopen, dus anders dan alleen voor eigen gebruik. Zooals uit tabel 21 blijkt, is het aantal dezer bedrijven sterk verminderd, nl. van 15 in 1921 tot 7 in 1930; de totale oppervlakte liep van 506,55 H.A. tot 193,38 H.A. terug. Of deze teruggang aan uit het bedrijf zelf voortspruitende invloeden toegeschreven, dan wel als gevolg van de stadsuitbreiding beschouwd moet worden, was moeilijk meer na te gaan.
Opgemerkt zij nog, dat er in 1930 ook een (klein) groenteteelt-veehouderij-bedrijf bleek te bestaan, hetwelk, omdat voor een enkel bedrijf geen afzonderlijke rubriek kon worden gemaakt, onder de akkerbouw/veehouderij-bedrijven is opgenomen.
Vermelding verdient ten slotte nog het ontstaan van een nieuwen vorm van gemengd bedrijf, nl. de akkerbouw/bollenteelt, waarvan volgens tabel 21 thans 4 bedrijven bestaan met een totale oppervlakte van 190,20 H.A., waaronder 14,00 H.A. voor de bollenteelt (hoofdzakelijk gladiolen).
[Rechterpagina]
INTRODUCTION.
(Résumé).
1. Organisation du recensement.
Un recensement de l’agriculture, prescrit par le gouvernement, a été tenu dans le Royaume entier pendant la période du 20 mai jusqu’au 20 juin 1930. Il avait pour but de fournir des données concernant :
a le nombre et la superficie des entreprises agricoles et horticoles ;
b les terrains exploités par les ouvriers agricoles ;
c les terres possédées en propre et celles prises à ferme ;
d la superficie des terres arables, des terres affectées à l’horticulture et des prairies dans chaque commune ;
e l’étendue de la culture en serres.
Ce recensement a été effectué par commune et les autorités municipales ont été chargées de son exécution. A Amsterdam le travail a eu lieu sous la direction du Bureau Municipal de Statistique, qui a fait usage à cet effet des services d’un certain nombre d’agriculteurs et d’éleveurs en qualité d’agents recenseurs. De cette façon les données obtenues pour Amsterdam ont pu être élaborées séparément par le bureau.
La municipalité, toutefois, trouvant que les points susmentionnés sont insuffisants pour donner à eux seuls une image complète de la situation actuelle de l’agriculture et de l’horticulture, ajouta aux questions posées par le gouvernement quelques autres questions concernant :
a le nombre de ceux qui sont occupés dans une branche quelconque de l’agriculture, répartis selon qu’ils sont chefs d’entreprise, membres de famille, ouvriers à demeure ou ouvriers journaliers, chacun de ces groupes étant subdivisé selon le sexe et l'âge (au-dessous de 21 ans et 21 ans et au-dessus) ;
b l'usage des machines agricoles modernes, se répartissant en trois groupes, à savoir machines en propriété, en copropriété et en location ;
c l'usage de tracteurs, répartis selon les trois mêmes groupes.
2. Les résultats du recensement.
a. Aperçu général.
Le tableau 1 montre que la superficie des terres exploitées par des entreprises agricoles est de 8593 hectares, tandis que celle des prairies exploitées par des entreprises d’une autre nature est de 16,60 hectares. La superficie totale des terrains agricoles s’élève donc à 8610,05 hectares. La superficie totale de la commune est de 17455 hectares. Une partie assez considérable du territoire est donc affectée à l’agriculture dans le sens large du mot.
D’après le tableau 2, 65 % de la superficie sont affectés à l’élevage, 26 % au labourage, 4 ½ % aux entreprises mixtes et 4 % à la culture maraîchère. Quant au nombre des entreprises, plus de 53 % de celles-ci appartiennent à l'élevage, 8 % à peu près au labourage, plus de 1 % aux entreprises mixtes et plus de 34 % à la culture maraîchère.
L'élevage d’animaux de basse-cour et la floriculture, de même que les entreprises mixtes, sont de peu d’importance. A Amsterdam l'exploitation du sol comprend donc surtout l’élevage du bétail, le labourage et la culture maraîchère ; parmi ces branches, c'est l'élevage qui domine.
Le labourage occupe les parties argileuses du territoire, l'élevage et la culture maraîchère, à quelques exceptions près, s'exercent sur les terrains tourbeux.
Les chiffres à la page 5 donnent une image de l'accroissement ou du décroissement du nombre des entreprises de différente étendue. On ne peut cependant pas tirer de ces chiffres, qui embrassent toutes les branches indistinctement, des conclusions au sujet des changements survenus dans l'étendue * Landbouwkundige Transitie: Het document toont de overgangsfase van de Amsterdamse landbouw in de vroege 20e eeuw. Er is een duidelijke verschuiving zichtbaar van traditionele gemengde bedrijven naar meer gespecialiseerde tuinbouw (glascultuur) en veeteelt. De tekst merkt op dat het aantal gemengde bedrijven (akkerbouw + veeteelt) drastisch is gedaald tussen 1921 en 1930.
* Glastuinbouw: Er wordt een technisch onderscheid gemaakt tussen "plat glas" (een soort lage kweekbakken) en "staand glas" (warenhuizen/serres). Amsterdam blijkt in 1930 nog voornamelijk plat glas te gebruiken, in tegenstelling tot het Westland, hoewel de eerste tomatenteelt in verwarmde serres opkomt.
* Stedelijke Impact: De tekst suggereert dat de afname van landbouwgrond mogelijk te wijten is aan "stadsuitbreiding", een kenmerkend fenomeen voor Amsterdam in deze periode (denk aan het Plan Zuid en de uitbreidingen in West).
* Methodologie: De rechterpagina onthult dat de gemeente Amsterdam ambitieuzer was dan de landelijke overheid. Ze voegden extra onderzoeksvragen toe over arbeid (gezin vs. ingehuurd), machines en tractoren om een gedetailleerder beeld van de lokale economie te krijgen. Dit document is afkomstig uit een periode waarin Amsterdam nog aanzienlijke landelijke gebieden binnen haar gemeentegrenzen had, zoals de voormalige gemeenten Sloten en Watergraafsmeer (geannexeerd in 1921). De statistieken weerspiegelen de professionalisering van de statistiekverzameling door het Gemeentelijk Bureau voor de Statistiek (opgericht in 1894).
Economisch gezien bevond Nederland zich in 1930 aan het begin van de Grote Depressie, maar de data hier verzameld (mei-juni 1930) weerspiegelen nog grotendeels de situatie van de jaren '20. De focus op "moderne machines" en "tractoren" in de vragenlijst duidt op de beginnende mechanisatie van de Nederlandse landbouw, hoewel de tekst op pagina 14 opmerkt dat in de groenteteelt op dat moment nog nauwelijks machines werden gebruikt. De Franstalige samenvatting was destijds gebruikelijk in wetenschappelijke en statistische publicaties om internationale uitwisseling van gegevens mogelijk te maken.