Archief 745
Inventaris 745-327
Pagina 85
Dossier 22
Jaar 1940
Stadsarchief

Archiefdocument

Origineel

[Pagina 24]

3. De veestapel in de onderscheiden bedrijfstakken, in vergelijking met 1921.
Le cheptel dans les différentes branches en comparaison avec le recensement de 1921.

Soort / Espèce Jaren / Années Akkerbouw / Labourage Veehouderij / Elevage Tuinbouw / Horticulture Gemengde bedrijven / Entreprises mixtes Andere / Autres Totaal Amsterdam Het Rijk / Le Royaume
Paarden / Chevaux
beneden 3 jaar 1930 43 5 4 3 55 45.513
de moins de 3 ans 1921 126 117 24 3 271 88.811
boven 3 jaar 1930 327 461 54 50 1.447 2.339 253.639
de plus de 3 ans 1921 414 583 29 90 1.954 3.070 238.566
Samen / Ensemble 1930 370 466 54 54 1.450 2.394 299.152
1921 540 700 30 114 1.957 3.341 363.668
Runderen / Bovins
Springstieren 1930 65 2 67 26.453
Taureaux reproducteurs 1921 1 92 7 100 25.785
Melk- en kalfkoeien 1930 86 7.344 12 136 1 7.579 1.298.736
Vaches laitières et pleines 1921 122 7.319 14 232 12 7.699 1.085.713
Mestkalveren 1930 4 126 15 145 38.548
Veaux à l'engrais 1921 11 1 12 19.597
Ander mestvee 1930 23 521 62 606 80.879
Autres espèces de bétail à l'engrais 1921 8 348 12 368 63.432
Jongvee / Elèves 1930 73 1.070 17 1.160 921.450
1921 55 1.761 2 109 1.927 868.244
Samen / Ensemble 1930 186 9.126 12 232 1 9.557 2.366.066
1921 186 9.531 16 360 13 10.106 2.062.771
Schapen / Brebis 1930 70 2.148 41 2.259 484.987
1921 33 3.331 130 57 3.551 668.211
Bokken en geiten / Boucs et chèvres 1930 26 83 50 10 19 188 131.252
1921 33 267 50 1 129 480 272.298
Varkens / Porcs 1930 502 2.154 126 62 2.844 2.017.781
1921 349 2.579 62 225 48 3.263 1.519.245
Kippen / Poules 1930 2.595 22.411 2.429 378 348 28.161 24.637.204
1921 2.136 11.367 717 542 1.574 16.336 9.660.799
Eenden / Canards 1930 41 2.423 167 100 27 2.758 662.161

[Pagina 25]

4. De in de onderscheiden bedrijfstakken werkzame personen, naar geslacht, leeftijd en positie in het bedrijf.
Les personnes occupées dans les différentes branches d'après l'âge, le sexe et la position dans l'entreprise.

(Kolomkoppen verkort weergegeven: BH = Bedrijfshoofden, MWG = Medewerkende gezinsleden, VA = Vaste arbeiders, LA = Losse arbeiders, T = Totaal. Onderverdeeld in: >= 21 jaar / < 21 jaar).

Bedrijfstakken / Branches BH >=21 BH <21 MWG >=21 MWG <21 VA >=21 VA <21 LA >=21 LA <21 T >=21 T <21 Totaal
Akkerbouw. Labourage.
Mannen Hommes 67 20 17 93 13 482 9 662 39 701
Vrouwen Femmes 3 36 11 39 11 50
Totaal Totaux 67 23 17 93 13 518 20 701 50 751
Veehouderij. Elevage de bovidés.
Mannen Hommes 450 1 69 113 176 41 187 10 882 165 1047
Vrouwen Femmes 2 51 39 3 5 56 44 100
Totaal Totaux 452 1 120 152 179 46 187 10 938 209 1147
Pluimveehouderij. Elev. d'anim. de basse-cour
Mannen Hommes 13 1 13 1 14
Vrouwen Femmes
Totaal Totaux 13 1 13 1 14
Groenteteelt. Culture maraîchère.
Mannen Hommes 290 2 41 88 163 76 30 27 524 193 717
Vrouwen Femmes 12 11 1 1 13 12 25
Totaal Totaux 290 2 53 99 163 76 31 28 537 205 742
Bloemisterij. Floricult.
Mannen Hommes 18 4 18 25 2 42 25 67
Vrouwen Femmes
Totaal Totaux 18 4 18 25 2 42 25 67
Akkerb./Veehouderij. Labourage/Bov.
Mannen Hommes 7 2 10 1/2 3 21 40 1/2 3 43 1/2
Vrouwen Femmes 3 1 1/2 3 1 1/2 4 1/2
Totaal Totaux 7 5 10 1/2 4 1/2 21 43 1/2 4 1/2 48
Akkerbouw/Bollenteelt. Labourage/Bulbes.
Mannen Hommes 4 11 2 49 64 2 66
Vrouwen Femmes 7 7 7
Totaal Totaux 4 11 2 56 71 2 73
Totaal. Totaux.
Mannen Hommes 849 3 136 219 471 1/2 160 771 46 2227 1/2 428 2655 1/2
Vrouwen Femmes 2 69 50 3 6 1/2 44 12 118 68 1/2 186 1/2
Tot. generaal Tot. gén. 851 3 205 269 474 1/2 166 1/2 815 58 2345 1/2 496 1/2 2842

--- * Gegevensstructuur: De tabellen bieden een zeer gedetailleerd overzicht van de agrarische sector in Amsterdam. Opmerkelijk is het gebruik van breuken (bijv. $10\frac{1}{2}$) bij de arbeidskrachten, wat waarschijnlijk duidt op deeltijdwerk of seizoensarbeid die naar voltijds equivalenten is omgerekend.
* Trends in Veestapel (Pagina 24):
* Er is een significante daling te zien in het aantal paarden in Amsterdam tussen 1921 (3.341) en 1930 (2.394). Dit hangt waarschijnlijk samen met de opkomende mechanisatie en motorisering in de stad.
* De kippenstapel in Amsterdam is bijna verdubbeld (van ca. 16.000 naar ruim 28.000), wat wijst op een intensivering van de pluimveehouderij.
* De melkveestapel blijft relatief stabiel rond de 7.500 stuks.
* Arbeidsverhoudingen (Pagina 25):
* De veehouderij is de grootste werkgever in de Amsterdamse agrarische sector (1.147 personen), gevolgd door de akkerbouw (751) en de groenteteelt (742).
* Bij de akkerbouw valt het hoge aantal 'losse arbeiders' op (518), wat wijst op een grote behoefte aan seizoensarbeid voor de oogst.
* Vrouwen zijn hoofdzakelijk werkzaam als medewerkend gezinslid, vooral in de veehouderij en groenteteelt. Slechts 2 vrouwen staan geregistreerd als bedrijfshoofd.
* Demografie: Een aanzienlijk deel van de werkkrachten is jonger dan 21 jaar, vooral in de groenteteelt en veehouderij (vaak als medewerkend gezinslid).

--- Dit document stamt uit een periode waarin Amsterdam, ondanks de stedelijke uitbreiding, nog een aanzienlijk agrarisch buitengebied kende (denk aan de toenmalige gemeenten die bij Amsterdam gevoegd waren, zoals Sloten, Buiksloot, en Watergraafsmeer in 1921).

De data is afkomstig uit de Landbouwtelling van 1930. In Nederland werden dergelijke tellingen periodiek uitgevoerd door het CBS of gemeentelijke statistische bureaus om economische trends in kaart te brengen. De vergelijking met 1921 laat de transitie zien van de traditionele landbouw naar een meer gespecialiseerde stedelijke landbouw (zoals tuinbouw en pluimvee) en de invloed van de economische veranderingen in het interbellum. Het gebruik van het Frans naast het Nederlands was in die tijd gebruikelijk voor officiële statistische publicaties om internationale vergelijking mogelijk te maken.

Samenvatting

  • Gegevensstructuur: De tabellen bieden een zeer gedetailleerd overzicht van de agrarische sector in Amsterdam. Opmerkelijk is het gebruik van breuken (bijv. $10\frac{1}{2}$) bij de arbeidskrachten, wat waarschijnlijk duidt op deeltijdwerk of seizoensarbeid die naar voltijds equivalenten is omgerekend.
  • Trends in Veestapel (Pagina 24):
    • Er is een significante daling te zien in het aantal paarden in Amsterdam tussen 1921 (3.341) en 1930 (2.394). Dit hangt waarschijnlijk samen met de opkomende mechanisatie en motorisering in de stad.
    • De kippenstapel in Amsterdam is bijna verdubbeld (van ca. 16.000 naar ruim 28.000), wat wijst op een intensivering van de pluimveehouderij.
    • De melkveestapel blijft relatief stabiel rond de 7.500 stuks.
  • Arbeidsverhoudingen (Pagina 25):
    • De veehouderij is de grootste werkgever in de Amsterdamse agrarische sector (1.147 personen), gevolgd door de akkerbouw (751) en de groenteteelt (742).
    • Bij de akkerbouw valt het hoge aantal 'losse arbeiders' op (518), wat wijst op een grote behoefte aan seizoensarbeid voor de oogst.
    • Vrouwen zijn hoofdzakelijk werkzaam als medewerkend gezinslid, vooral in de veehouderij en groenteteelt. Slechts 2 vrouwen staan geregistreerd als bedrijfshoofd.
  • Demografie: Een aanzienlijk deel van de werkkrachten is jonger dan 21 jaar, vooral in de groenteteelt en veehouderij (vaak als medewerkend gezinslid).

Historische Context

Dit document stamt uit een periode waarin Amsterdam, ondanks de stedelijke uitbreiding, nog een aanzienlijk agrarisch buitengebied kende (denk aan de toenmalige gemeenten die bij Amsterdam gevoegd waren, zoals Sloten, Buiksloot, en Watergraafsmeer in 1921).

De data is afkomstig uit de Landbouwtelling van 1930. In Nederland werden dergelijke tellingen periodiek uitgevoerd door het CBS of gemeentelijke statistische bureaus om economische trends in kaart te brengen. De vergelijking met 1921 laat de transitie zien van de traditionele landbouw naar een meer gespecialiseerde stedelijke landbouw (zoals tuinbouw en pluimvee) en de invloed van de economische veranderingen in het interbellum. Het gebruik van het Frans naast het Nederlands was in die tijd gebruikelijk voor officiële statistische publicaties om internationale vergelijking mogelijk te maken.

Kooplieden in dit dossier 100

Aantal *Nombre* 100.—
Aantal *Nombre* 89.7
Aantal Nombre
Aantal Nombre
Aantal Nombre
A. Kooy Pzn.
Alle bedrijven samen¹).. *Ensemble* — 1,2
S. Montezinos *Ensemble.*
Alle bedrijven te zamen *Ensemble* — 2,0
Alle bedrijven te zamen *Ensemble* 868,5
Alle bedrijven te zamen *Ensemble* 4,35
Alle bedrijven te zamen *Ensemble* 100
Alle bedrijven te zamen *Ensemble* ..... 25,1
Alle bedrijven te zamen. *Ensemble* 1,17
Alle bedr. te zamen + 109,9
Vriens. 38,9
Amsterdammerpolder, Groote IJ-, Overbraker Binnen- en Buiten-, Spieringhorner Binnen- en Buitenpolder 32 (306.49 ha)
Ander mestvee 80.879
Ander rundvee......... 100
Alle 100 kooplieden →