Archiefdocument
Origineel
[Pagina 36]
12. Aantal en oppervlakte der dwerg-, klein-, middel- en grootbedrijven, naar hun ligging in de gemeente.
Nombre et superficie des entreprises très petites et des entreprises dans la petite industrie, dans l'industrie moyenne et dans la grande industrie, d'après leur situation dans la commune.
| Liggende in: / Parties de la commune | Buurt-letter / Quartier | Dwergbedrijven (Entreprises très petites) | Kleinbedrijven (1-10 H.A.) | Middelbedrijven (10-20 H.A.) | Grootbedrijven (20 H.A. en daarboven) | Totaal |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Absolute cijfers. Chiffres absolus. | ||||||
| Holysloot, Ransdorp, Zunderdorp, Schellingwoude en Durgerdam | RE, RD, ND, RB en RC | 2 (0.50 ha) | 41 (248.29 ha) | 83 (1204.27 ha) | 25 (614.- ha) | 150 (2067.06 ha) |
| Nieuwendam, Buiksloot en Noorder IJpolder | NC, NB, RA, AH, BC, BE, BD, OB en OA | 3 (0.47 ha) | 12 (63.82 ha) | 14 (203.50 ha) | 3 (95.- ha) | 32 (362.79 ha) |
| Amsterdammerpolder, Groote IJ-, Overbraker Binnen- en Buiten-, Spieringhorner Binnen- en Buitenpolder | ZA, ZB, HK, SR en HJ | 4 (2.05 ha) | 14 (59.92 ha) | 8 (119.02 ha) | 5 (125.50 ha) | 32 (306.49 ha) |
| Osdorper Binnen- en Boven-, Lutkemeer- en Akerpolder | HF en HG | 7 (1.85 ha) | 33 (146.14 ha) | 30 (423.70 ha) | 12 (315.60 ha) | 78 (887.29 ha) |
| Sloterdijkermeer-, Sloter Binnen- en Middelveldsche gecombineerde-, Riekpolder | HB, HC, HD, ST, HA en HE | 13 (0.70 ha) | 21 (117.99 ha) | 19 (296.94 ha) | 23 (631.89 ha) | 65 (1047.52 ha) |
| Buitenveldert, Binnendijksche Buitenveldersche-, Groot Duivendrechtsche- en Watergraafsmeer- of Diemermeerpolder | AN, AU, AO, AS, AT, AR, OO, WD, WH, WJ, WN en WL | 5 (0.70 ha) | 21 (88.45 ha) | 25 (378.62 ha) | 18 (451.30 ha) | 66 (919.07 ha) |
| Totaal Totaux | 31 (6.27 ha) | 142 (724.61 ha) | 179 (2626.05 ha) | 86 (2233.29 ha) | 438 (5590.22 ha) |
[Pagina 37]
13. De veestapel in de onderscheiden grootteklassen, in vergelijking met 1921.
Le cheptel dans les entreprises de différente étendue, en comparaison de 1921.
(Geselecteerde rijen uit de tabel met absolute cijfers)
| Omschrijving | Jaren | Geen grond | Minder dan 1 H.A. | 1-5 H.A. | 5-10 H.A. | 10-20 H.A. | 20-30 H.A. | 30-40 H.A. | 40-50 H.A. | Totaal |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Aantal bedrijven (Rundveehouderij) | 1930 | 31 | 16 | 67 | 75 | 179 | 67 | 16 | 3 | 454 |
| Paarden boven 3 jaar | 1930 | 19 | 14 | 47 | 45 | 178 | 106 | 29 | 8 | 446 |
| Melk- en kalfkoeien | 1930 | 60 | 32 | 471 | 821 | 3342 | 1918 | 530 | 137 | 7311 |
| Totaal aantal runderen | 1930 | 72 | 37 | 520 | 989 | 4063 | 2321 | 780 | 287 | 9069 |
| 1921 | 262 | 46 | 479 | 1276 | 3938 | 2389 | 739 | 238 | 9367 | |
| Varkens | 1930 | 165 | 102 | 309 | 198 | 586 | 527 | 123 | 31 | 2041 |
| Kippen | 1930 | 152 | 136 | 1237 | 2914 | 4265 | 2095 | 612 | 50 | 11491 |
--- Het document bevat een gedetailleerde statistische weergave van de agrarische sector binnen de grenzen van de gemeente Amsterdam rond 1930.
- Geografische focus: Tabel 12 is bijzonder waardevol omdat het de agrarische bedrijvigheid opsplitst naar polders en buurten die tegenwoordig grotendeels geürbaniseerd zijn (zoals Osdorp, Slotervaart, en de Watergraafsmeer). Het laat de transitie zien van Landelijk Noord en de westelijke/zuidelijke polders.
- Bedrijfsstructuur: Er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen 'dwergbedrijven' (vaak zonder grond of minder dan 1 hectare) en grotere landbouwbedrijven. De meerderheid van de grondoppervlakte (2626 ha) wordt ingenomen door middelbedrijven (10-20 hectare).
- Veehouderij-intensiteit: Tabel 13 toont de specialisatie van de Amsterdamse landbouw. De melkveehouderij domineert, met meer dan 7300 melk- en kalfkoeien in 1930. Opvallend is ook de grote hoeveelheid pluimvee (kippen), wat duidt op een intensieve vorm van landbouw voor de stedelijke markt.
- Vergelijking 1921-1930: De cijfers laten een lichte daling zien in het totaal aantal runderen (van 9367 naar 9069), wat kan wijzen op de beginnende stadsuitbreiding waarbij landbouwgrond werd opgeofferd voor woningbouw.
--- Dit document stamt uit een tijd waarin Amsterdam nog een aanzienlijke agrarische component had binnen de gemeentegrenzen. Na de grote annexaties van 1921 (waarbij gemeenten als Sloten, Buiksloot, Nieuwendam, Ransdorp en Watergraafsmeer werden ingelijfd) was Amsterdam plotseling een grote agrarische gemeente geworden.
De tabellen weerspiegelen het beleid van de gemeentelijke statistiek om de economische bijdrage van deze nieuwe gebieden nauwkeurig te monitoren. In de periode tussen 1921 en 1930 begon de gemeente met de uitvoering van het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) van Van Eesteren, waardoor veel van de in deze tabellen genoemde polders in de decennia daarna zouden veranderen in woonwijken (de Westelijke Tuinsteden en Buitenveldert). Het document fungeert daarmee als een nulpunt-meting van de agrarische rijkdom van Amsterdam voordat de grote stedelijke expansie de landbouw naar de periferie drukte. Gemeente Amsterdam