Archief 745
Inventaris 745-327
Pagina 209
Dossier 92
Jaar 1940
Stadsarchief

Getypte notulen of een rapportage van een commissie betreffende de oprichting van tuinbouwproeftuinen.

Onbekend, vermoedelijk midden 20e eeuw (gebaseerd op het lettertype van de schrijfmachine en de genoemde instituten).

Origineel

Getypte notulen of een rapportage van een commissie betreffende de oprichting van tuinbouwproeftuinen. Onbekend, vermoedelijk midden 20e eeuw (gebaseerd op het lettertype van de schrijfmachine en de genoemde instituten). Bij de bestudeering van het proeftuinplan zijn wij enkele malen bij den heer Inspecteur van den tuinbouw te rade gegaan, omdat deze toch, uit hoofde van zijn functie, het toezicht heeft op alle proeftuinen in ons land. Na enkele conferenties zijn wij dan tot de volgende conclusies gekomen.

1e. Gezien het groote verschil in grondsoort, n.l. uitgesproken zandgrond in het Westen en typische veengrond meer Oostelijk, ieder met haar eigen problemen, is het niet doelmatig, het onderzoek in één tuin te centraliseeren. Meer gewenscht is het één tuin voor den veengrond en één tuin voor den zandgrond te stichten.

2e. Met het oog op een goed contact met den Tuinbouwvoorlichtingsdienst is het gewenscht, dat beide tuinen niet te ver van elkaar liggen.

3e. Als de meest geschikte plaats voor den tuin op den veengrond komt ons Amsterdam en als de meest geschikte plaats op den zandgrond komt ons Beverwijk voor.

4e. Om beide tuinen niet plotseling financieel te zwaar te belasten, verdient het vooralsnog geen aanbeveling om een groot laboratorium te bouwen, zooals we dat momenteel in Naaldwijk zien verschijnen.
Toch zou er op beide perceelen een kleiner en eenvoudiger laboratorium opgericht kunnen worden, omdat in den tegenwoordigen tijd een proeftuin vooral dan aan haar doel beantwoordt, als deze gecombineerd is met een laboratorium. Zoo'n laboratorium is niet alleen een plaats van onderzoek, maar ook van voorlichting.

5e. Aangezien onderzoek, voorlichting en onderwijs bij den Tuinbouwvoorlichtingsdienst samengaan, zou het wenschelijk zijn om proeftuin en laboratorium te combineeren met school. In Beverwijk kan dat de Lagere Tuinbouwschool zijn, die nog een definitieve plaats moet hebben, in Amsterdam zou dat een groenteteeltschool kunnen zijn, naar het voorbeeld van de fruitteeltscholen in de uitgesproken fruitteeltcentra en de school voor de Westlandsche teelten in Naaldwijk.

  De heer Muyen vraagt of het dus de bedoeling is, de oprichting te splitsen.
  De voorzitter antwoordt, dat het inderdaad de bedoeling is twee proeftuinen te stichten, ieder met een afzonderlijke financieele opzet. Oorspronkelijk was het de bedoeling één proeftuin te stichten. Dit lijkt ons echter niet doelmatig, omdat de hieraan verbonden bezwaren te groot bleken. Daarom wordt als oplossing het stichten van twee proeftuinen voorgesteld, n.l. één voor den veengrond en één voor den duinzandgrond. Voor den duinzandgrond wordt Beverwijk als de meest geschikte plaats geadviseerd. Te Beverwijk is een Lagere Tuinbouwschool opgericht, en het is van groot belang, dat de proeftuin bij de school is. De gemeente heeft reeds haar medewerking toegezegd.

De heer Bol vraagt, of de commissie dan reeds de plaats heeft vastgesteld, waar beide proeftuinen zullen moeten komen.
De voorzitter antwoordt, dat zulks niet de taak van de commissie was. Deze had als opdracht een oplossing te vinden, welke ieder bevredigt. De vraag van de commissie aan de vergadering is dus: " Is de voorgestelde oplossing juist? Moeten er dus twee proeftuinen worden gesticht? " De Inspecteur van den Tuinbouw is het geheel met de oplossing van de commissie eens, vooral omdat er twee geheel afwijkende teelten en grondsoorten zijn.
De heer Bol----- Dit document bevat de conclusies van een commissie die adviseert over de structuur van agrarisch onderzoek in de regio. De belangrijkste punten zijn:
* Decentralisatie: In plaats van één centrale proeftuin wordt gepleit voor twee locaties (Amsterdam en Beverwijk) vanwege de fundamentele verschillen tussen veen- en zandgrond.
* Integratie van de 'Gouden Driehoek': Er wordt een sterke nadruk gelegd op de koppeling tussen onderzoek (proeftuin), voorlichting (laboratorium) en onderwijs (tuinbouwscholen). Dit wordt gezien als essentieel voor een doeltreffende werking.
* Pragmatiek en Financiën: Er wordt geadviseerd om bescheiden te beginnen met laboratoria om de financiële last te spreiden, met Naaldwijk als vergelijkingspunt.
* Besluitvorming: De tekst legt de overgang vast van een oorspronkelijk plan voor één tuin naar het nieuwe voorstel voor twee tuinen, waarbij de steun van de landelijke Inspecteur van den Tuinbouw als belangrijk argument wordt gebruikt. Het document illustreert de professionalisering van de Nederlandse tuinbouwsector in de 20e eeuw. De nadruk op grondsoort-specifiek onderzoek was essentieel voor de ontwikkeling van regionale specialismen (zoals de Westlandse glastuinbouw of de bollen- en groenteteelt in de kuststreek). De genoemde 'Tuinbouwvoorlichtingsdienst' en de nauwe samenwerking met scholen vormden het hart van het zogenoemde OVO-model (Onderzoek, Voorlichting, Onderwijs), dat Nederland internationaal op de kaart zette als agrarisch innovatiecentrum. De vermelding van Naaldwijk (het hart van de glastuinbouw) als referentiekader benadrukt het belang van deze institutionele structuur voor de Nederlandse economie. Bol vraagt (De heer) Muyen vraagt (De heer)

Samenvatting

Dit document bevat de conclusies van een commissie die adviseert over de structuur van agrarisch onderzoek in de regio. De belangrijkste punten zijn:
* Decentralisatie: In plaats van één centrale proeftuin wordt gepleit voor twee locaties (Amsterdam en Beverwijk) vanwege de fundamentele verschillen tussen veen- en zandgrond.
* Integratie van de 'Gouden Driehoek': Er wordt een sterke nadruk gelegd op de koppeling tussen onderzoek (proeftuin), voorlichting (laboratorium) en onderwijs (tuinbouwscholen). Dit wordt gezien als essentieel voor een doeltreffende werking.
* Pragmatiek en Financiën: Er wordt geadviseerd om bescheiden te beginnen met laboratoria om de financiële last te spreiden, met Naaldwijk als vergelijkingspunt.
* Besluitvorming: De tekst legt de overgang vast van een oorspronkelijk plan voor één tuin naar het nieuwe voorstel voor twee tuinen, waarbij de steun van de landelijke Inspecteur van den Tuinbouw als belangrijk argument wordt gebruikt.

Historische Context

Het document illustreert de professionalisering van de Nederlandse tuinbouwsector in de 20e eeuw. De nadruk op grondsoort-specifiek onderzoek was essentieel voor de ontwikkeling van regionale specialismen (zoals de Westlandse glastuinbouw of de bollen- en groenteteelt in de kuststreek). De genoemde 'Tuinbouwvoorlichtingsdienst' en de nauwe samenwerking met scholen vormden het hart van het zogenoemde OVO-model (Onderzoek, Voorlichting, Onderwijs), dat Nederland internationaal op de kaart zette als agrarisch innovatiecentrum. De vermelding van Naaldwijk (het hart van de glastuinbouw) als referentiekader benadrukt het belang van deze institutionele structuur voor de Nederlandse economie.

Genoemde Personen 2

Bol vraagt (De heer) Muyen vraagt (De heer)

Producten

A.G.F. (Aardappelen): Aardappel A.G.F. (Aardappelen): Klei A.G.F. (Aardappelen): Veen A.G.F. (Aardappelen): Zand A.G.F. (Fruit): Appel A.G.F. (Fruit): Fruit A.G.F. (Groenten): Groente Huishoudelijk: Glas Olie & Techniek: Machine Olie & Techniek: Olie Tuin & Plant: Bollen Vis & Zee: Aal Vis & Zee: Vis Vleeswaren: Hart Vleeswaren: Vlees

Thema's

Jodenster/Maatregelen

Kooplieden in dit dossier 100

Aantal *Nombre* 100.—
Aantal *Nombre* 89.7
Aantal Nombre
Aantal Nombre
Aantal Nombre
A. Kooy Pzn.
Alle bedrijven samen¹).. *Ensemble* — 1,2
S. Montezinos *Ensemble.*
Alle bedrijven te zamen *Ensemble* — 2,0
Alle bedrijven te zamen *Ensemble* 868,5
Alle bedrijven te zamen *Ensemble* 4,35
Alle bedrijven te zamen *Ensemble* 100
Alle bedrijven te zamen *Ensemble* ..... 25,1
Alle bedrijven te zamen. *Ensemble* 1,17
Alle bedr. te zamen + 109,9
Vriens. 38,9
Amsterdammerpolder, Groote IJ-, Overbraker Binnen- en Buiten-, Spieringhorner Binnen- en Buitenpolder 32 (306.49 ha)
Ander mestvee 80.879
Ander rundvee......... 100
Alle 100 kooplieden →