Getypt verslag/notulen van een vergadering.
Origineel
Getypt verslag/notulen van een vergadering. De heer Ir.van der Helm geeft den heer Bernard gelijk wat het aantal tuinders betreft. Dit is ook de reden, waarom werd afgezien van de oprichting van een groot laboratorium. Toch zijn er ook in dit ambtsgebied een groot aantal tuinders. De bedoeling is, dat iedere tuinder lid zal zijn van den proeftuin in zijn eigen gebied.
Daarnaast mag men misschien rekenen op een ruime medewerking van de provincie. De provincie Noordholland heeft altijd in ruime mate daadwerkelijk meegewerkt. Als voorbeeld mag hier Aalsmeer genoemd worden, waar $f$ 2500.-- door de Provincie wordt bijgedragen.
De heer Bernard dankt de commissie voor de gezonde financieele opzet van haar plannen.
De heer Zandbergen vraagt of de gemeente Amsterdam iets zal willen bijdragen.
De voorzitter is van meening, dat dit niet onwaarschijnlijk is. Vooral de Electriciteitswerken in Amsterdam hebben veel interesse voor den tuinbouw.
De heer Zandbergen vraagt, of de heer van der Helm hierover reeds met bevoegde personen heeft gesproken.
De voorzitter meent, dat dit moet worden overgelaten aan de nieuw te vormen commissies. In het uitbreidingsplan van de gemeente Amsterdam werd met de vestiging van een aantal tuinders rekening gehouden. Het zal echter de taak van de commissie voor den Veengrond zijn, hierop nader in te gaan.
De voorzitter stelt voor de commissie te ontbinden, en twee nieuwe commissies te benoemen, die in een versneld tempo aan het werk zullen gaan. Allereerst zal een scheiding moeten worden gemaakt. Deze scheiding zal moeten plaats vinden op zoodanige wijze, dat een gezonde basis voor beide tuinen zal worden verkregen. Het spreekt echter van zelf, dat beide tuinen voor een ieder open staan.
De heer Ir.van der Helm stelt voor om in groote trekken de volgende scheiding te maken.
Tot den proeftuin voor den veengrond zullen behooren: de markttuinders, de veilingen van Amsterdam, Hilversum, Roelofarendsveen, Ter Aar, Vinkeveen en misschien Bussum,
en tot den proeftuin voor de zandgronden zullen behooren: de veilingen van Alkmaar, Beverwijk, Castricum, Haarlem, Heiloo, Katwijk a/d Rijn, Noordwijkerhout en Rijnsburg.
De voorzitter is van meening, dat de taak van deze commissie thans ten einde is.
Voor de commissie uiteen gaat, wil de heer Ir.Hanson het volgende opmerken.
Hij is zelf geen tuinder, maar de laatste jaren heeft hij zeer veel omgang met tuinders gehad, zoodat hij zich een oordeel kan vormen. Het Gemeente Energie Bedrijf heeft zich de laatste jaren intensief bemoeid met het probleem van de bodemverwarming. Aanvankelijk ging dit niet vlot. De oorzaak hiervan is, dat de tuinder van meening is, dat de gemeente hulp moet geven. Van de gemeente wordt gevraagd, dat zij kapitaal beschikbaar zal stellen, proeftuinen zal oprichten bij verschillende tuinders, e.d. De gemeente kan zulks echter niet doen. Het Gemeente Energie Bedrijf heeft geen verstand van tuinderij, wel van electriciteit, terwijl van het G.E.B. ook geen financieelen steun te verwachten is.
Thans hebben zich------- Dit verslag documenteert een cruciaal moment in de organisatie van het tuinbouwonderzoek in Noord-Holland. De belangrijkste punten zijn:
- Decentralisatie van onderzoek: Men stapt af van het idee van één centraal laboratorium ten gunste van regionale proeftuinen, om dichter bij de individuele tuinder te staan.
- Specialisatie naar bodemgesteldheid: De commissie splitst zich op in twee nieuwe groepen: één voor de veengronden (regio Amsterdam/Rijnland/Gooi) en één voor de zandgronden (regio Kennemerland/Bollenstreek). Dit duidt op een groeiend besef dat teelttechnieken sterk afhankelijk zijn van de lokale bodem.
- Spanning tussen techniek en economie: De opmerkingen van Ir. Hanson over bodemverwarming leggen een kloof bloot tussen de technologische mogelijkheden (elektriciteit via het G.E.B.) en de financiële draagkracht/verwachtingen van de tuinders. Het G.E.B. positioneert zich hier als een puur technisch nutsbedrijf en niet als een financier van landbouwinnovatie. Het document dateert vermoedelijk uit het midden van de 20e eeuw (gelet op de spelling en de genoemde personen). Het weerspiegelt de periode waarin de Nederlandse tuinbouw transformeerde door wetenschappelijke onderbouwing en mechanisatie. De samenwerking tussen veilingen, provinciale overheden en nutsbedrijven was essentieel voor de ontwikkeling van de moderne glastuinbouw. De genoemde veilingen vormden destijds de economische motor van hun respectievelijke regio's. De discussie over "bodemverwarming" was in deze tijd een vooruitstrevend onderwerp, dat later essentieel zou worden voor de jaarrond-productie in kassen.