Archiefdocument
Origineel
- 4 -
Het plaatsen van leeg fust op en om de standplaats, waardoor een wanordelijk aanzien wordt verkregen, is een aangelegenheid, die de grossier zelf dient te regelen. Deze dient met zijn plaatsruimte hiermede rekening te houden, ook de kleinhandelaar moet dit in zijn zaak doen.
Den kleinhandelaar, die financieel belast wordt, zij het dan ook voor een klein bedrag, zal een regeling als hier bedoeld niet ten goede komen; den grossier echter wel.
Hij acht het een gemak voor de kleinhandelaren, dat zij het leeg fust 's-morgens kunnen inleveren bij de grossiers, van wie zij dit betrokken hebben.
Het inleveren van die verpakking op een bepaald punt zal hun tijd kosten. In enkele gevallen zal men speciaal personeel naar de markt moeten zenden om het leeg fust kwijt te raken.
Voorts brengt hij onder de aandacht, dat jaren geleden met de grossiers werd afgesproken, dat bij inlevering van leeg fust de grossier een cent zou betalen, evenals de winkelier.
Geleidelijk is hiervan afgeweken, waardoor de toestand van thans wederom is ontstaan.
Dhr. FRESCO merkt op, dat de Heer Wijnman gemakkelijk kan zeggen, dat de grossiers zelf orde op de aflevering van het leeg fust moeten stellen, maar verschillende omstandigheden, den Heer Wijnman niet bekend, zijn dikwijls oorzaak, dat zulks niet zoo eenvoudig gaat, als deze zich dat voorstelt, b.v: het reeds door hem geopperde bezwaar, dat vreemde kisten worden ingeleverd en waarvoor statiegeld moet worden terugbetaald, waardoor vaak meer leeg fust wordt ingenomen, dan geleverd is.
De bezwaren, aan de tot nu toe geldende regeling verbonden, zijn voor de grossiers veel grooter, dan gedacht wordt.
Hij acht het vrijwel ondoenlijk, dat een goede regeling in deze aangelegenheid tot stand zal kunnen worden gebracht alleen tusschen grossiers en kleinhandelaren; het een en ander zal bij verordening dienen te worden geregeld. Dit document is een verslag van een discussie over de logistieke en financiële afhandeling van "leeg fust" (lege kratten of verpakkingen) op een markt. De kern van het probleem is de wanorde die ontstaat door rondslingerend fust en de kosten/moeite die gepaard gaan met het inleveren ervan.
Er zijn twee hoofdkampen:
1. De kleinhandelaren: Zij ondervinden hinder als ze fust op specifieke punten moeten inleveren (tijdsverlies, extra personeelskosten). Er wordt gerefereerd aan een oude afspraak waarbij grossiers een cent betaalden voor de inname, een praktijk die verwaterd is.
2. De grossiers (vertegenwoordigd door dhr. Fresco): Zij stellen dat het probleem complexer is dan het lijkt. Een specifiek probleem is de inname van "vreemde kisten" (kratten die niet bij hen gekocht zijn), wat leidt tot een financieel nadeel omdat er meer statiegeld wordt uitgekeerd dan er is binnengekomen.
Dhr. Fresco concludeert dat een onderlinge regeling tussen de partijen niet volstaat en pleit voor een officiële overheidsverordening om de zaak te stroomlijnen. De tekst lijkt afkomstig uit notulen van een vergadering van een marktbestuur, een kamer van koophandel of een gemeentelijke commissie, waarschijnlijk in de eerste helft van de 20e eeuw (gelet op de spelling zoals "zoo", "den kleinhandelaar" en het gebruik van de gulden/cent). Het document weerspiegelt de toenemende behoefte aan regulering en orde op openbare markten naarmate de handel intensiever werd en de ruimte beperkter. De discussie over statiegeld en logistieke efficiëntie is van alle tijden, maar hier specifiek toegespitst op de dynamiek tussen groothandel (grossiers) en detailhandel op de fysieke marktplaats. Kamer van Koophandel