Archiefdocument
Origineel
- 9 -
Dhr. VOGELAAR
zou deze zaak thans reeds tot een goed einde willen brengen. Hij acht verder overleg met de contactcommissie overbodig.
Dhr. WIJNMAN
merkt op, dat de contactcommissie is samengesteld uit vertegenwoordigers van de groot- en kleinhandelaren. Hij ziet niet in waarom met deze commissie - wier besprekingen altijd vruchtbaar zijn geweest - geen nader overleg kan worden gepleegd.
Dhr. NIEUWKERK
vraagt, als tot de voorgestelde regeling besloten wordt, het ook geoorloofd is kisten, toebehoorende b.v. aan de aardappel-grossiers, bij die grossiers in te leveren.
Dhr. VERMAAT
zegt, dat zulks niet in de bedoeling ligt, doch dat deze aangelegenheid te zijner tijd nog eens nader kan worden overwogen.
Dhr. WIJNMAN
vraagt, hoe de houding zal zijn van den dienst van Haven- en Marktwezen, indien de betrokken organisaties zich tegen de in overweging gegeven regeling verzetten.
Dhr. VERMAAT
antwoordt, dat zijnerzijds dan toch een daaromtrent voorstel bij Heeren Burgemeester en Wethouders zal worden ingediend.
Dhr. 't HOEN
merkt nog op, dat bij de nieuwe "leeg fustregeling", hij niet bevreesd is, dat de inlevering hiervan veel oponthoud zal veroorzaken. Zijn achttienjarige practijk heeft hem wel een en ander geleerd.
Dhr. VERMAAT
stelt thans voor, dat het Binnenlandsch Koopliedenverbond zoo spoedig mogelijk met de meergenoemde contactcommissie omtrent de hier besproken regeling van de inname van het leeg fust zal vergaderen en dat de uitslag van deze bespreking zoo spoedig mogelijk ter kennis zal worden gebracht van den Directeur van den dienst van Haven- en Marktwezen.
Alle aanwezigen kunnen zich met dit voorstel vereenigen. Het document legt een discussie vast over de logistieke afhandeling van leeg fust (zoals aardappelkisten) binnen een stedelijke marktcontext. Er is onenigheid over de noodzaak van verder overleg met de contactcommissie van handelaren. Terwijl Dhr. Vogelaar de zaak wil afronden, pleit Dhr. Wijnman voor dialoog. Dhr. Vermaat treedt op als bemiddelaar of voorzitter en stelt een formele route voor: overleg tussen het Binnenlandsch Koopliedenverbond en de commissie, met rapportage aan de Directeur van de Dienst van Haven- en Marktwezen. Opmerkelijk is de persoonlijke noot van Dhr. 't Hoen, die op basis van zijn 18 jaar ervaring geen vertragingen verwacht door de nieuwe regeling. De spelling (zoals "zoo", "practijk" en "Binnenlandsch") wijst op een document van vóór de spellinghervorming van Marchant (1934/1947), waarschijnlijk uit de jaren '20 of '30 van de 20e eeuw. De "Dienst van Haven- en Marktwezen" duidt op een grote Nederlandse havenstad, zeer waarschijnlijk Rotterdam, waar deze specifieke gemeentelijke dienst verantwoordelijk was voor de marktregulering en logistiek. Het document weerspiegelt de toenemende behoefte aan stroomlijning en regelgeving in de stedelijke voedseldistributie en de interactie tussen de overheid en belangenverenigingen van handelaren.