Archiefdocument
Origineel
20 Mei 1940 J. van Praag (Crabethstraat 23, Amsterdam) De Heer Directeur van het Marktwezen te Amsterdam Nº 66/8/IM. 1940 — 21/5
20 Mei 1940
Aan den Heer Directeur v. h. Marktwezen
te Amsterdam.
Mijnheer,
Naar aanleiding van ons gesprek van Vrijdag j.l. verzoek ik U beleefd mijn huurcontract tijdelijk te schorsen, aangezien het mij onder de huidige omstandigheden niet mogelijk is mijn bedrijf voort te zetten.
Ik hoop dat ik spoedig weer in de gelegenheid zal komen verder te werken en dat ik dan weer de beschikking kan krijgen over mijn loods.
Bij voorbaat dankend
Hoogachtend
J. van Praag
Crabethstraat 23
A’dam
[Aantekeningen in de marge/boven de tekst:]
* Aangeteekend
* J
* ni dir. * Toon en taal: De brief is opgesteld in een uiterst formele en beleefde stijl, zoals gebruikelijk in de zakelijke correspondentie van die tijd.
* Kern van de boodschap: De schrijver, een ondernemer genaamd J. van Praag, vraagt om een tijdelijke opschorting van zijn huurcontract voor een loods bij het Marktwezen in Amsterdam. Hij kan zijn bedrijfsactiviteiten niet voortzetten.
* Administratieve sporen: De brief bevat officiële stempels en handgeschreven parafen in de kop, wat aangeeft dat het document is opgenomen in het archief van de gemeente Amsterdam (Marktwezen). De aantekening "Aangeteekend" boven de aanhef wijst op de officiële verzendmethode. De datum van deze brief, 20 mei 1940, is cruciaal voor de interpretatie. Nederland was slechts vijf dagen daarvoor, op 15 mei, gecapituleerd na de Duitse inval op 10 mei.
De "huidige omstandigheden" waar de heer Van Praag aan refereert, zijn de directe gevolgen van het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en de start van de bezetting. De chaos van de eerste oorlogsdagen, de verstoring van de handel en de onzekere toekomst zorgden ervoor dat veel ondernemers hun werkzaamheden moesten staken.
Gezien de veelvoorkomende Joodse achternaam 'Van Praag' en de locatie (Amsterdam), is dit document mogelijk een vroege indicatie van de ontwrichting die de bezetting teweegbracht voor Joodse ondernemers, zelfs nog voordat de formele anti-Joodse verordeningen door de bezetter werden ingevoerd. De hoop die de schrijver uitspreekt om "spoedig" weer aan de slag te kunnen, getuigt van de onwetendheid die er op dat moment nog was over de duur en de ernst van de komende bezettingsjaren.