Getypte ambtelijke rapportage / memorandum (pagina 2 van een meerdelig stuk).
Origineel
Getypte ambtelijke rapportage / memorandum (pagina 2 van een meerdelig stuk). -2-
dergelijke markt niet opwegen tegen de kosten (personeel en drukwerk); bovendien moet er rekening mede worden gehouden, dat de Jan Evertsenstraat uitsluitend een winkelstraat is en een groote verkeersweg, zoodat het een unicum zou zijn hier een markt te stichten. (Al onze markten zijn gelegen aan zijstraten van drukke verkeers- en winkelstraten).
B. Stichting van een dagmarkt in de omgeving van de Jan Evertsenstraat.
Deze oplossing is theoretisch slechts uitvoerbaar indien voor de Jan Evertsenstraat een ventverbod wordt uitgevaardigd, daar anders weer andere venters uit West in de Jan Evertsenstraat zouden komen en daar de oude venters, die dan op de markt zouden staan, ernstig zouden schaden; bovendien zou zulk een markt geen levensvatbaarheid hebben, daar de kooplieden toch regelmatig zouden trachten in de Jan Evertsenstraat te venten.
Practisch zou naar mijn meening een markt in de nabijheid der Jan Evertsenstraat geen kans van slagen hebben, omdat er geen publiek zal komen (zie de Hasebroekstraat).
C. Uitgifte van standplaatsen in de Jan Evertsenstraat.
Hoewel de Politie hiervan wellicht geen voorstander zal zijn, meen ik toch, dat deze oplossing niet zonder meer moet worden verworpen.
De Jan Evertsenstraat is inderdaad een drukke verkeersweg, doch de straat heeft ook een buitengewone breedte.
Het linker trottoir, gerekend vanaf den Admiraal de Ruyterweg, is 6½ meter breed; het linkerrijgedeelte 5 meter, dan komt een dubbel tramspoor, het rechterweggedeelte is weer 5 meter en het rechtertrottoir is 6½ meter. Gelet op de breedte der trottoirs is het mijns inziens duidelijk, dat daar gemakkelijk een handkar van 1½ meter breedte op kan staan, zonder dat het publiek daardoor in een ongestoorde passage zou worden belemmerd. Hierdoor zou dan een belangrijk deel der verkeersbezwaren vervallen.
Concurrentiebezwaren van winkeliers kunnen in deze straat niet voorkomen. Er is geen enkele bloemenwinkel gevestigd in de Jan Evertsenstraat en 3 aardappel-, groente- en fruitwinkels namelijk fa. Kliffen op no. 70; fa. Nijman op no. 90 en fa. Lindeman op no. 96 en één comestibleszaak (zgn. nachtvergunning van 4 uur n.m. tot 1 uur v.m.) van fa. Kouwenberg op no. 97. Daar in de Jan Evertsenstraat uitsluitend met bloemen en fruit wordt gevent is het duidelijk, dat de concurrentiebezwaren wel zullen meevallen. Bij deze oplossing is een ventverbod gewenscht, teneinde het optreden van nieuwe clandestiene standplaatshouders te voorkomen, zij het dat de mogelijkheid daartoe door de voorschriften der Ventverordening zal worden beperkt, waartoe echter weer regelmatig toezicht noodig is. De Jan Evertsenstraat heeft een lengte van ruim 400 meter. Stel, dat er 24 venters geplaatst moeten worden, dat is dus 12 aan elke zijde der straat, dan zou dus om de 30 meter een standplaats gecreeerd moeten worden. Dit acht ik practisch uitvoerbaar.
D. Uitgifte van standplaatsen op de hoeken der zijstraten der Jan Evertsenstraat.
Indien ernstige bezwaren zouden bestaan tegen de sub C aangegeven oplossing, acht ik het mogelijk de onderhavige venters te plaatsen op de hoeken der zijstraten der Jan Evertsenstraat. Vanaf den Admiraal de Ruyterweg krijgt men allereerst de brug over de Admiralengracht; één der brugvleugels wordt nog niet ingenomen door een standplaatshouder en hier zou dus een venter met fruit kunnen worden geplaatst. De eerste zijstraat is dan de Marco Polostraat. Links zijn op de hoeken gevestigd een rijwielzaak en een manufacturemzaak en rechts een café en een kruidenier. Ik acht het mogelijk aan iedere zijde der Jan Evertsenstraat 6 venters te plaatsen (8 meter vanaf den hoek) en wel drie tegen elken trottoirband. Iedere week zou gerouleerd kunnen worden, zoodat elke standplaatshouder eens in de 3 weken het dichtst bij den hoek staat. Dit document vormt een beleidsanalyse betreffende de inrichting van de openbare ruimte en de regulering van de handel in Amsterdam-West. De auteur (vermoedelijk een ambtenaar van Marktwezen of een verkeersinspecteur) weegt verschillende scenario's af om de overlast van losse straatventers te beperken en hen te kanaliseren naar vaste standplaatsen.
Kernpunten uit de analyse:
* Strijd om de ruimte: Er is een spanningsveld tussen de functie van de Jan Evertsenstraat als "groote verkeersweg" (met dubbel tramspoor) en als handelsplek.
* Concurrentiepositie: De auteur beargumenteert dat vaste winkeliers (zoals de fa. Kliffen en fa. Lindeman) weinig te duchten hebben van venters, omdat het aanbod (bloemen/fruit) beperkt is.
* Regulering: Men streeft naar een "ventverbod" om wildgroei tegen te gaan, gekoppeld aan een officieel systeem van standplaatsen of een dagmarkt.
* Logistiek: In optie D wordt een democratisch "roulatiesysteem" voorgesteld voor de meest gunstige plekken op de hoeken van zijstraten, wat getuigt van een poging tot eerlijke verdeling onder de kooplieden. De Jan Evertsenstraat in Amsterdam-West werd in de jaren '20 en '30 ontwikkeld als een centrale verkeers- en winkelader voor de nieuwe wijken (Plan West). In deze periode was straathandel met handkarren zeer gebruikelijk, maar zorgde dit in de smalle of juist zeer drukke straten voor verkeersopstoppingen.
De tekst refereert aan de Hasebroekstraat als voorbeeld van een mislukte marktlocatie ("geen publiek"). De gedetailleerde metingen van de trottoirs (6,5 meter) laten zien dat de straat destijds al zeer ruim was opgezet, wat de discussie over het plaatsen van 1,5 meter brede handkarren relevant maakte. De genoemde firma's (o.a. Kouwenberg, Lindeman) zijn historisch traceerbaar in de Amsterdamse adresboeken van de vroege 20e eeuw. Dit document illustreert de overgang van informele straathandel naar de strenger gereguleerde marktsystemen die we tegenwoordig kennen.