Archiefdocument
Origineel
18 november 1940. De Directeur (waarschijnlijk van een gemeentelijke dienst, zoals de Marktwezen of Publieke Werken). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam. extra
VP/HG.
72/75/4 M.
18 November 1940.
Venters in Jan Evertsen-
straat.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Ten vervolge op mijn rapport d.d. 6 September jl. (No. 72/75/3 M.) heb ik de eer U te berichten, dat dezerzijds, overeenkomstig Uw opdracht, nog eens een nader onderzoek is ingesteld naar de moeilijkheden, die in de Jan Evertsenstraat met venters worden ondervonden. Bij dit onderzoek is gebleken, dat het aantal kooplieden, die voorheen regelmatig clandestien in de voornoemde straat plachten te staan, thans tot slechts vijf is verminderd. In verband met de tijdsomstandigheden is te verwachten, dat dit aantal binnenkort eerder nog zal afnemen dan toenemen. Het lijkt mij daarom niet noodig, dat momenteel bijzondere maatregelen voor de Jan Evertsenstraat worden overwogen.
Ik geef U mitsdien beleefd in overweging deze aangelegenheid voorloopig als afgedaan te beschouwen, totdat, bij het intreden van meer normale omstandigheden, ook het aantal venters weder zal toenemen.
De Directeur, Deze brief is een ambtelijk advies aan de Amsterdamse wethouder voor de Levensmiddelen. De kern van de rapportage is dat de eerdere problematiek met "clandestiene" (niet-vergunde) straatventers in de Jan Evertsenstraat nagenoeg is opgelost door externe factoren. Waar er voorheen blijkbaar sprake was van aanzienlijke overlast of ongeoorloofde handel, zijn er nu nog maar vijf venters over.
De directeur adviseert de wethouder om geplande "bijzondere maatregelen" (zoals strengere handhaving of nieuwe verordeningen) te laten varen. De toon is zakelijk en formeel ("heb ik de eer U te berichten", "beleefd in overweging"). De conclusie is pragmatisch: de situatie heeft zichzelf opgelost door de veranderde omstandigheden. De datum van de brief, 18 november 1940, is cruciaal voor het begrip van de tekst. Nederland was op dat moment ruim een half jaar bezet door nazi-Duitsland. De term "tijdsomstandigheden" in de tekst is een eufemisme voor de gevolgen van de oorlog en de bezetting.
Er zijn verschillende redenen waarom het aantal straatventers zo drastisch was afgenomen:
1. Schaarste en Distributie: Door de invoering van de distributie (bonkaarten) werd de handel in levensmiddelen streng gereguleerd. Er was minder vrije handelswaar beschikbaar voor clandestiene venters.
2. Verscherpt Toezicht: Tijdens de bezetting nam de controle op straat toe, niet alleen door de reguliere politie maar ook door bezettingsautoriteiten. Illegale handel werd riskanter.
3. Economische ontwrichting: De Jan Evertsenstraat was (en is) een belangrijke winkelstraat in Amsterdam-West. De bezetting zorgde voor een algemene daling van de koopkracht en bewegingsvrijheid.
De wethouder voor de Levensmiddelen had in die tijd de zware taak om de voedselvoorziening in de stad in goede banen te leiden onder toezicht van de bezetter. Het feit dat hij zich bezighield met venters in één specifieke straat, wijst erop dat de ordelijke distributie van voedsel een hoge prioriteit had om onrust onder de bevolking te voorkomen.