Getypt ambtelijk rapport.
Origineel
Getypt ambtelijk rapport. 9 december 1936 (afgeleid van stempel). N^o 181/13/1 / M.1936 9/12
DEN HEER DIRECTEUR VAN HET MARKTWEZEN.
R A P P O R T .
Hierbij heb ik de eer U te verzoeken in de eerstvolgende vergadering van de marktcommissie het vraagstuk der assistentie op de markten, aan de orde te willen stellen.
Voorheen was er slechts een betrekkelijk klein aantal kooplieden, aan wie officieel was toegestaan om zich op hun plaats op de markt te laten assisteeren. Een groot aantal kooplieden liet zich echter assisteeren, zonder daarvoor toestemming van den Dienst van het Marktwezen te hebben bekomen. Dit is niet meer toegestaan. Het is thans zoo, dat de kooplieden, die zich door een of meer personen laten assisteeren, dit doen met toestemming van de Directie van het Marktwezen.
Formeel is dus deze zaak in orde. Dit wil echter niet zeggen, dat daarmede het vraagstuk der assistentie is opgelost. Dit zal dan pas het geval zijn, wanneer het toestaan van assistentie aan vaste regelen wordt gebonden.
De twee voornaamste vormen van assistentie zijn:
A. de koopman laat zich assisteeren door een of meerdere huisgenooten, familieleden of knechts;
B. de koopman heeft een compagnon, die dan als assistent bij den Dienst van het Marktwezen staat ingeschreven.
Tegen de eerste vorm van assistentie, worden noch door de kooplieden-organisaties, noch door de kooplieden ernstige bezwaren aangevoerd.
Ouderdom, invaliditeit, toezicht tot het voorkomen van stelen der waren en het bedienen van klanten, wanneer de koopman dit niet alleen afkan, noodzaken den koopman zich te laten assisteeren. De klachten welke tegen deze vorm van assistentie worden geuit, houden in dat aan enkele kooplieden is toegestaan, zich door meer dan een persoon te laten assisteeren.
Het ware m.i. wel gewenscht, dat in overleg met de organisaties ten aanzien van het toestaan van meerdere assistenten, normen worden gesteld.
Ten aanzien van de tweede vorm van assistentie, meen ik het volgende te moeten opmerken.
De crisis heeft veroorzaakt dat vele kooplieden, die vroeger van hun handel behoorlijk konden bestaan, thans ternauwernood een zelfstandig bestaan kunnen vinden. Een aantal zijn opgenomen in den steun of zijn bijtijden in steun of worden met het verstrekken van handelsgeld op den been gehouden.
Een aantal kooplieden echter en vooral zij die een z.g.n. goede plaats op de markt bezetten, zoeken wanneer zij het niet langer zelfstandig kunnen volhouden, een compagnon die of geld of goederen heeft. De een beschikt dan over de marktplaats de ander over geld of goederen.
Weer andere kooplieden staan, wanneer zij zelf geen handel meer hebben, hun plaatsen af aan kooplieden, die geen plaats op de markt hebben en ontvangen daarvoor een bepaald bedrag. De plaatshouder is dan wel op zijn plaats aanwezig, helpt meestal bij den verkoop, doch de waren welke verkocht worden zijn van den koopman, die op deze wijze een marktplaats heeft bekomen. Ook deze koopman staat veelal bij den Dienst van het Marktwezen ingeschreven als assistent van den plaatshouder. Indien bij het onderzoek dat in verband met de aanvraag om assistentie plaats vindt blijkt, dat het in de bedoeling van den plaatshouder ligt zijn plaats te verkoopen, wordt het verzoek vanzelfsprekend afgewezen. In de meeste gevallen kan dit echter niet worden aangetoond en wordt het verzoek ingewilligd. Wat den een wordt toegestaan kan den ander moeilijk... (tekst loopt door op volgende pagina) Het rapport kaart een beleidsprobleem aan bij de Amsterdamse (of vergelijkbare grote stad) marktcommissie in 1936. Hoewel de regels voor assistentie formeel zijn aangescherpt (toestemming is nu verplicht), signaleert de schrijver dat er achter de schermen oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van de regeling.
Er wordt een scherp onderscheid gemaakt tussen:
1. Legitieme assistentie: Hulp door familie of personeel vanwege ouderdom of drukte.
2. Oneigenlijke assistentie: Het maskeren van een "stille vennootschap" of de feitelijke verkoop van een marktplaats. Hierbij fungeert de eigenlijke handelaar officieel als "assistent" van de oorspronkelijke vergunninghouder om de strenge regels rondom marktplaatsvergunningen te omzeilen. Dit document is geschreven midden in de nasleep van de Grote Depressie (de economische crisis van de jaren '30). De tekst verwijst hier expliciet naar: kooplieden kunnen niet meer zelfstandig rondkomen en zijn afhankelijk van "de steun" (werkloosheidsuitkering of bijstand).
De marktplaatsen waren schaars en strikt gereguleerd. Om te overleven probeerden vergunninghouders hun plek te "verzilveren" door anderen tegen betaling op hun plek te laten staan onder het mom van assistentie. Het document illustreert de spanning tussen de behoefte aan strenge handhaving door de overheid en de overlevingsdrang van kleine zelfstandigen in crisistijd.