Handgeschreven brief of ambtelijk memorandum op gelinieerd papier.
Origineel
Handgeschreven brief of ambtelijk memorandum op gelinieerd papier. 14 mei 1870 (geschreven als '70). kooplieden door de kramenverhuurders te worden
voldaan en behooren mij niet als exploitatie ob-
jecten te worden behandeld.
Ik geef U dan ook in overweging, zoo zulks
mogelijk is, Heijner op te dragen Prumpt
dusdanig materiaal te verhuren, zooals hij
noodig heeft voor de uitoefening van zijn bedrijf.
Mocht Heijner nalatig blijven, dan diene aan
Prumpt toestemming te worden verleend zich
door een anderen kramenverhuurder van goed
materiaal te laten voorzien.
Amsterdam, 14 Mei '70
[handtekening, mogelijk J. Groeneheiden] Dit document betreft een instructie of dwingend advies met betrekking tot de marktregulering in Amsterdam. De kern van het schrijven is een pleidooi voor een rechtvaardige behandeling van kooplieden. De schrijver stelt expliciet dat zij niet louter als "exploitatie-objecten" (instrumenten voor winstbejag) door kramenverhuurders behandeld mogen worden.
Er wordt een specifieke casus aangehaald tussen een verhuurder (Heijner) en een huurder/koopman (Prumpt). De schrijver adviseert de geadresseerde om Heijner te dwingen de juiste materialen te leveren die Prumpt nodig heeft voor zijn nering. Als stok achter de deur wordt voorgesteld dat Prumpt het recht krijgt om naar een concurrent over te stappen als Heijner in gebreke blijft. Dit duidt op een toezichthoudende rol van de schrijver over de marktorde. In het Amsterdam van 1870 waren de markten vitale knooppunten voor de stadseconomie. De verhuur van marktkramen was vaak een lucratieve business die soms tot misstanden leidde, waarbij verhuurders hun monopoliepositie misbruikten door slecht materiaal te leveren of te hoge prijzen te vragen.
De overheid of marktcommissies grepen in dergelijke gevallen in om de continuïteit van de handel en de openbare orde te waarborgen. De brief is illustratief voor de overgangsperiode waarin de stad steeds meer regie nam over het publieke domein en de bescherming van de kleine zelfstandige tegenover machtige exploitanten. De gehanteerde terminologie ("exploitatie-objecten") getuigt van een moreel besef over de verhouding tussen kapitaal/bezit en arbeid. J. Groeneheiden