Ambtelijke rapportage of memorandum betreffende openstaande vorderingen.
Origineel
Ambtelijke rapportage of memorandum betreffende openstaande vorderingen. 21 september 1940 (geciteerd in tekst); 25 september 1940 (stempel). Nº 05/49/M. 1940 ^25/9^ [stempel met handgeschreven toevoeging]
Gusp. [paraph/naam?]
Schulden kramenverhuurders.
Van de 4 kramenverhuurders die
in mijn laatste rapport werden genoemd
hebben 2 aan hun verplichtingen
voldaan.
Niet betaald hebben:
Abram. schuld thans ƒ 5.57. in orde
Brand " " 18.78 2382 [met rode streep onder 18.78]
achterstand [boven doorgestreept woord geschreven]
~~nieuwe~~ per 21 Sept 1940.
~~Zijn staat overzicht van~~ enige kramen-
verhuurders:
W. Gelder ƒ 7.02 ~~5.13~~ [bracket] hebben aan het
A. v. d. Bogert 4.72 ~~2.05~~ [bracket] verzoek om betaling
Schreuder 8.23 in orde [bracket] niet voldaan ƒ
Lubbels 4.12 5.53 [bracket]
Regant.
Munnister 4.57 in orde
[links onderaan:]
Opbergen
Oct '40
de Haas
[rechts onderaan:]
25 SEP. 1940 [stempel]
[onleesbare handtekening] Het document is een interne rapportage over de status van betalingen door marktkooplieden of kramenverhuurders. De tekst is met de hand geschreven op roze-achtig papier en vertoont diverse correcties en latere toevoegingen.
- Schrift en opmaak: Het handschrift is een vlot zakelijk cursief. Opvallend is het gebruik van een grote accolade (bracket) aan de rechterzijde om aan te geven op welke personen de tekst "hebben aan het verzoek om betaling niet voldaan" betrekking heeft.
- Correcties: De schrijver heeft ter plekke woorden aangepast (zoals "achterstand" in plaats van "nieuwe"). Er zijn ook diverse bedragen doorgestreept of bijgeschreven in een ander handschrift of met een andere pen, wat duidt op een levend document dat werd bijgewerkt naarmate betalingen binnenkwamen (bijv. de toevoeging "in orde").
- Namen: De genoemde namen (Abram, Brand, Gelder, v.d. Bogert, Schreuder, Lubbels, Regant, Munnister) zijn typisch voor de Amsterdamse of Nederlandse marktwereld van die tijd. Het document is gedateerd in september 1940, enkele maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. In deze periode probeerde het ambtelijk apparaat de normale gang van zaken, zoals de inning van marktgelden en huur voor marktkramen, voort te zetten.
De vermelding van namen zoals "Abram" is in deze context beladen. Gezien de datum (1940) en de sector (marktwezen) is het zeer aannemelijk dat dit document betrekking heeft op de Amsterdamse markten. Kort na deze datum begonnen de bezettingsautoriteiten met het invoeren van anti-Joodse maatregelen, die uiteindelijk zouden leiden tot de verwijdering van Joodse kooplieden van de algemene markten. Dit document lijkt echter nog een puur administratieve, financiële afhandeling van openstaande posten te zijn zonder directe politieke of discriminerende bijbedoeling in de tekst zelf, hoewel de namen in de daaropvolgende jaren een tragische context zouden krijgen.