Archief 745
Inventaris 745-342
Pagina 285
Dossier 2A
Jaar 1941
Stadsarchief

Archiefdocument

29 augustus 1941 Van: Onbekend (Vermoedelijk een hoge ambtenaar van de Dienst der Levensmiddelen of een gerelateerd bureau). Aan: Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier (Amsterdam).

Origineel

29 augustus 1941 Onbekend (Vermoedelijk een hoge ambtenaar van de Dienst der Levensmiddelen of een gerelateerd bureau). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier (Amsterdam). VD/HG.

2A/10/2 M.
I

29 Augustus 1941.

Inkuilen van
aardappelen.

den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .

Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 23 dezer om spoedig advies ontvangen stuk No. 801 L.M.1941 heb ik de eer U te berichten, dat de voorziening van aardappelen voor het geheele land geschiedt door de Nederlandsche Akkerbouw-centrale in 's-Gravenhage onder toezicht van het Rijksbureau Voedselvoorziening in Oorlogstijd. Voor de uitvoering van een en ander is de V.B.N.A. (Vereeniging tot Bevordering van den Nederlandschen Aardappelhandel) ingeschakeld.

Uit een bespreking, welke de heeren Smeets, Van Meurs en ondergeteekende hebben gehad met vertegenwoordigers van voornoemd Bureau terzake van den winteropslag van diverse levensmiddelen, is gebleken, dat de zorg voor dislocatie van de voorraden voor den komenden winter door het Bureau Voedselvoorziening in Oorlogstijd reeds in handen is genomen.

Voor wat betreft het aanleggen van een zoo ruim mogelijke reserve van aardappelen, zal wat Amsterdam betreft, uiteraard dezerzijds verder met de daarvoor in aanmerking komende instanties overleg worden gepleegd.

Ter verkrijging van de gegevens noodig voor de beantwoording van de vragen 1 tot en met 5 zou een onderzoek moeten worden ingesteld. Het is aan te nemen, dat bovenbedoelde instanties, die de voorziening van Nederland met aardappelen regelen, over de daarvoor noodige gegevens beschikken. Ik kan hieromtrent echter wel verklaren, dat de veengronden in de onmiddellijke omgeving van Amsterdam door de deskundigen voor het inkuilen van aardappelen ongeschikt worden geacht. Op zand-, geest- en dergelijke hooggelegen gronden is inkuilen wel mogelijk. In dit verband wijs ik er echter op, dat in de onmiddellijke omgeving van Amsterdam een uitgebreide aardappelteelt bestaat in de IJpolders, Haarlemmermeer- en Houtrakpolder. De afgeloopen winter zijn deze polders, die ruim geraamd een opbrengst hebben van 400.000 à 500.000 hl., door de bovengenoemde Rijksinstanties, welke met de voorziening zijn belast, in reserve gehouden hoofdzakelijk voor de voorziening van Amsterdam. (Een dergelijke opbrengst is voldoende voor de voorziening der stad voor ± 13 weken, wanneer een bon voor * Logistieke Centralisatie: Het document illustreert hoe de voedselvoorziening tijdens de bezettingsjaren strikt gecentraliseerd was onder het Rijksbureau Voedselvoorziening in Oorlogstijd (RBVVO). Lokale overheden moesten opereren binnen de kaders van landelijke instanties zoals de Nederlandsche Akkerbouwcentrale.
* Technische Beperkingen: Er wordt een interessant bodemkundig argument aangevoerd: de veengronden rondom Amsterdam zijn ongeschikt voor het 'inkuilen' (het ondergronds opslaan van aardappelen in met stro en aarde afgedekte kuilen) vanwege het vochtgehalte, wat rotting zou veroorzaken. Men wijst op de noodzaak van zand- of geestgronden voor deze specifieke opslagmethode.
* Strategische Voorraad: De brief noemt concrete cijfers over de voedselbehoefte van Amsterdam. De opbrengst van de nabijgelegen polders (400.000 à 500.000 hectoliter) wordt gelijkgesteld aan ongeveer 13 weken voedselvoorziening voor de stad onder het bonnensysteem.
* Terminologie: Het woord "dislocatie" wordt hier gebruikt in de zin van het verspreiden van voorraden over verschillende locaties om het risico op totaalverlies (bijvoorbeeld door bombardementen of brand) te minimaliseren. Dit document stamt uit de zomer van 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De voedselvoorziening werd in deze periode een steeds nijpender probleem. Aardappelen vormden de basis van het Nederlandse dieet en het veiligstellen van de wintervoorraad was van cruciaal belang om hongersnood en sociale onrust in de grote steden te voorkomen.

De genoemde organisaties (RBVVO en Akkerbouwcentrale) waren onderdeel van het uitgebreide distributie- en controleapparaat dat door de bezetter en de Nederlandse bureaucratie was opgezet. De IJpolders en de Haarlemmermeer fungeerden in die tijd als de 'voorraadkast' van Amsterdam. De brief laat zien hoe de overheid trachtte met wetenschappelijke en logistieke precisie de schaarste te beheren.

Samenvatting

  • Logistieke Centralisatie: Het document illustreert hoe de voedselvoorziening tijdens de bezettingsjaren strikt gecentraliseerd was onder het Rijksbureau Voedselvoorziening in Oorlogstijd (RBVVO). Lokale overheden moesten opereren binnen de kaders van landelijke instanties zoals de Nederlandsche Akkerbouwcentrale.
  • Technische Beperkingen: Er wordt een interessant bodemkundig argument aangevoerd: de veengronden rondom Amsterdam zijn ongeschikt voor het 'inkuilen' (het ondergronds opslaan van aardappelen in met stro en aarde afgedekte kuilen) vanwege het vochtgehalte, wat rotting zou veroorzaken. Men wijst op de noodzaak van zand- of geestgronden voor deze specifieke opslagmethode.
  • Strategische Voorraad: De brief noemt concrete cijfers over de voedselbehoefte van Amsterdam. De opbrengst van de nabijgelegen polders (400.000 à 500.000 hectoliter) wordt gelijkgesteld aan ongeveer 13 weken voedselvoorziening voor de stad onder het bonnensysteem.
  • Terminologie: Het woord "dislocatie" wordt hier gebruikt in de zin van het verspreiden van voorraden over verschillende locaties om het risico op totaalverlies (bijvoorbeeld door bombardementen of brand) te minimaliseren.

Historische Context

Dit document stamt uit de zomer van 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De voedselvoorziening werd in deze periode een steeds nijpender probleem. Aardappelen vormden de basis van het Nederlandse dieet en het veiligstellen van de wintervoorraad was van cruciaal belang om hongersnood en sociale onrust in de grote steden te voorkomen.

De genoemde organisaties (RBVVO en Akkerbouwcentrale) waren onderdeel van het uitgebreide distributie- en controleapparaat dat door de bezetter en de Nederlandse bureaucratie was opgezet. De IJpolders en de Haarlemmermeer fungeerden in die tijd als de 'voorraadkast' van Amsterdam. De brief laat zien hoe de overheid trachtte met wetenschappelijke en logistieke precisie de schaarste te beheren.

Kooplieden in dit dossier 1