Archiefdocument
Origineel
13 februari 1941 De Directeur (van een gemeentelijke dienst, mogelijk Economische Zaken of Marktwezen). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen. [In handschrift bovenaan:]
Extra
[Getypte tekst:]
D/HG.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
2B/9/3 M. 1 13 Februari 1941.
Aanvraag erkenning ten name
van H.Th. van Luyk.
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 29 Januari
jl. om advies ontvangen stuk no.179 L.M.1941 heb ik de eer U te
berichten, dat mij bij een dezerzijds ingesteld onderzoek is ge-
bleken, dat adressant nimmer in den groenten- en aardappelhandel
is werkzaam geweest; ik heb hem derhalve doen meedeelen, dat een
aanvraag terzake volkomen nutteloos zou zijn; adressant deelde
mede, dat hij dan als knecht in dienst gaat bij den winkelier in
aardappelen en groente, Waterman en op grond hiervan na een jaar
zal trachten een erkenning van de Nederlandsche Groenten- en Fruit-
centrale te verkrijgen.
Ik heb de eer U te adviseeren de onderhavige aangelegenheid
als afgedaan te beschouwen.
De Directeur, Deze ambtelijke brief betreft de afwijzing van een vergunningsaanvraag (erkenning) voor de handel in groenten en aardappelen. De Directeur rapporteert aan de Wethouder voor de Levensmiddelen dat de aanvrager, H.Th. van Luyk, geen enkele ervaring heeft in deze branche. Hierdoor wordt de aanvraag als "volkomen nutteloos" bestempeld.
Interessant is het vermelde alternatief: de aanvrager heeft besloten om eerst als knecht in loondienst te gaan bij een bestaande winkelier (Waterman) om zo de nodige ervaring op te doen. Na een jaar hoopt hij via de "Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale" alsnog de benodigde erkenning te verkrijgen. De directeur adviseert de wethouder om het huidige dossier te sluiten. De brief is gedateerd op 13 februari 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. In deze periode werd de handel in levensmiddelen steeds strenger gereguleerd door de bezetter en de Nederlandse overheidsinstanties (het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening).
De genoemde "Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale" (NGFC) was een centrale organisatie die door de bezetter was opgezet (of omgevormd) om de gehele keten van productie tot verkoop te controleren en te stroomlijnen. Dit was noodzakelijk voor het functioneren van het distributiestelsel (de rantsoenering). Zonder officiële "erkenning" of vergunning mocht men niet zelfstandig handelen. De strenge controle op ervaring en vakkennis, zoals in dit document te zien is, diende om wildgroei in de handel tegen te gaan en de schaarse middelen via officieel erkende kanalen te laten lopen.