De brief is een formeel verzoek van Betsy Agteribbe-Moses aan de directeur van het Amsterdamse Marktwezen. Haar man, Gerrit Agteribbe, die werkzaam was als marktkoopman, was op dat moment opgenomen in het Wilhelmina Gasthuis. Mevrouw Agteribbe verzoekt om een tijdelijke vervanger (de heer A. de Vries) aan te stellen zodat de standplaats op de markt behouden blijft tijdens de ziekte van haar man. Opvallend is de sarcastische opmerking in rood potlood rechtsboven: *"een beetje meer zorg voor de stukken lijkt mij wel gewenst"*. Dit is waarschijnlijk een interne berisping van een ambtelijk superieur aan een ondergeschikte over de slordige (verbrande) staat waarin het document in het dossier is beland.
Dit document dateert uit het eerste jaar van de Duitse bezetting van Nederland. De familie Agteribbe was een Joods gezin dat woonachtig was in de Vrolikstraat, een straat in Amsterdam-Oost met in die tijd veel Joodse bewoners. De historische context geeft dit ogenschijnlijk alledaagse administratieve document een tragische lading. Gerrit Agteribbe (1893) en Betsy Agteribbe-Moses (1894) werden later in de oorlog gedeporteerd. Beiden zijn in 1942 vermoord in Auschwitz. De brief illustreert de pogingen van Joodse Amsterdammers om onder steeds moeilijkere omstandigheden hun dagelijks leven en inkomen (via de markt) voort te zetten, terwijl de mazen van het net zich langzaam sloten. De brandplek op het papier zou kunnen wijzen op schade opgelopen tijdens de oorlog of bij de ontruiming van archieven.