Archiefdocument
Origineel
12 juni 1941. Onbekende instantie (mogelijk een afdeling van de Joodsche Raad of een gemeentelijke distributie/vorderingsinstantie, aangeduid met "HG."). De heer J. v.d. Kar, Nieuwe Prinsengracht 102 III, Amsterdam-Centrum. [Handgeschreven in blauwe inkt, rechtsboven:]
Adm. dagen.
[Handgeschreven in blauwe inkt, midden boven:]
Verzonden 11/6
[Getypt:]
HG.
25/64/2 M.
12 Juni 1941.
den Heer J.v.d.Kar,
Nwe.Prinsengracht 102 III,
Amsterdam-Centrum.
aanmaning snoer inleveren. Wijk 10.
Albert Cuypstraat Dit document is een administratieve doorslag van een formele aanmaning. De inhoud is kort maar dwingend: de ontvanger wordt gesommeerd een "snoer" in te leveren. In de context van juni 1941 in bezet Nederland verwijst dit hoogstwaarschijnlijk naar de vordering van metalen en elektrische materialen door de Duitse bezetter (de zogenaamde 'Metallspende' of metaalinzameling).
De handgeschreven notitie "Verzonden 11/6" suggereert dat de brief een dag vóór de getypte datum (12 juni) is verwerkt of verzonden, wat wijst op een strakke bureaucratische planning. De vermelding "Wijk 10" en "Albert Cuypstraat" onderaan duiden op de administratieve indeling van de stad en mogelijk de locatie waar de inlevering moest plaatsvinden of waar het wijkkantoor was gevestigd. De datum, juni 1941, is een cruciaal moment in de geschiedenis van de Jodenvervolging in Amsterdam. De ontvanger, de heer J. van der Kar, woonde aan de Nieuwe Prinsengracht, een straat in de Amsterdamse Jodenbuurt. In deze periode werden Joodse Amsterdammers via de Joodsche Raad en diverse gemeentelijke instanties geconfronteerd met een toenemende stroom aan geboden en verboden, waaronder het inleveren van goederen.
De vordering van koper, tin en nikkel (waaronder elektriciteitssnoeren) was noodzakelijk voor de Duitse oorlogsindustrie. Dat dergelijke kleine zaken als een "snoer" individueel werden geadministreerd en aangemaand, getuigt van de verregaande controle en bureaucratische precisie waarmee de bezetter de bevolking, en specifiek de Joodse inwoners, onder druk zette. J. v.d. Kar