Handgeschreven ambtelijke notitie / brief.
Origineel
Handgeschreven ambtelijke notitie / brief. 17 augustus 1939. 27/01/1 Betreffende de aangelegenheid plek 61 Wed
Wagenboom, verwijs ik beleefd naar mijn
rapport 13 april 1938 en mijn antwoord op
schrijven 27/3 5/2 d.d. 27-5-'38. Ik ben nog steeds
van meening dat de plaats niet kan en mag
worden overgeschreven op den zoon. Daardoor
wordt het rechtsgevoel geschokt en de belangen
geschaad van degene die reeds een andere
plaats op de betreffende markt bezetten
De Wed. Wagenboom staat nu wel achter den
stal, doch zonneklaar blijkt dat de zaak
gedreven wordt door den zoon.
Amsterdam 17 Aug. '39
[Handtekening] De schrijver van dit document (vermoedelijk een marktmeester of toezichthouder) adviseert negatief over het verzoek om marktplaats nummer 61 over te schrijven op naam van de zoon van de "Weduwe Wagenboom". De auteur voert twee hoofdredenen aan:
1. Rechtvaardigheid: Het overdragen van de plek zou indruisen tegen het rechtsgevoel en de belangen schaden van andere marktkooplieden die mogelijk langer wachten of meer recht hebben op een (betere) plek.
2. Feitelijke situatie: Hoewel de weduwe officieel nog achter de kraam ("stal") staat om aan de regels te voldoen, stelt de schrijver dat het "zonneklaar" is dat de zoon de feitelijke ondernemer is. Er is hier sprake van een poging om de strenge regelgeving rondom persoonsgebonden marktvergunningen te omzeilen. In het Amsterdam van 1939 waren marktplaatsen (zoals op de Albert Cuyp of het Waterlooplein) schaars en strikt gereguleerd door de gemeente via marktverordeningen. Vergunningen waren strikt persoonlijk; bij overlijden of stoppen van de houder verviel de plek normaal gesproken aan de gemeente, die deze dan toewees aan de eerstvolgende op de wachtlijst op basis van anciënniteit. Het "overerven" van een plek binnen de familie werd vaak gezien als een onrechtmatige bevoordeling. De brief illustreert de bureaucratische controle op de kleine handel en de spanning tussen familiale bedrijfsopvolging en gemeentelijke eerlijkheid in de toewijzing van openbare ruimte, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.