Handgeschreven zakelijke brief/notitie.
Origineel
Handgeschreven zakelijke brief/notitie. 4 februari 1941. Waarschijnlijk een gemeentelijke instantie (marktwezen) te Amsterdam. Den heer M. Werkendam. A'dam, 4/2 1941
den heer M. Werkendam
Naar aanleiding van
Uw brief dd. 22 Januari jl.
bericht ik u, dat Uw plaats
op de markt Westerstraat
met ingang van 20 Januari
jl. wegens wanbetaling is in-
getrokken. De schuld voor
deze plaats bedroeg op dien
datum: f. 1, 20.
[Rood stempel:] 29/1/2 57
[Paraaf:] DD
[Paraaf]
5/2/41 [Paraaf] De tekst is een formele mededeling aan de heer M. Werkendam. De schrijver reageert op een brief van Werkendam van 22 januari 1941. De kern van de boodschap is dat de marktplaats van de ontvanger op de Amsterdamse Westerstraat-markt is ingetrokken per 20 januari 1941. Als reden wordt "wanbetaling" opgegeven, waarbij het openstaande bedrag f 1,20 (één gulden en twintig cent) bedroeg.
Het handschrift is een vlot, zakelijk cursief uit de helft van de 20e eeuw. De aanwezigheid van het grote rode stempel en de verschillende parafen met data onderaan wijzen op een administratieve afhandeling binnen een overheidsinstelling. Opvallend is dat de intrekking (20 januari) al had plaatsgevonden vóór de brief van Werkendam (22 januari) was geschreven. Dit document stamt uit februari 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De locatie, de markt in de Westerstraat in de Jordaan, was een belangrijke handelsplek.
In de historische context van Amsterdam in 1941 is de naam 'Werkendam' vaak geassocieerd met de Joodse gemeenschap. In deze periode nam de uitsluiting van Joodse burgers uit het openbare leven en de economie drastisch toe. Kort na de datum van deze brief, in februari 1941, vonden de gebeurtenissen plaats die leidden tot de Februaristaking.
Het intrekken van een vergunning voor een relatief klein bedrag (f 1,20) kan gezien worden als een voorbeeld van de bureaucratische manier waarop Joodse ondernemers hun middelen van bestaan werden ontnomen. Vaak werden kleine administratieve tekortkomingen aangegrepen om rechten formeel in te trekken, passend in het bredere beleid van de bezetter om Joden te isoleren en te onteigenen. Dit document is daarmee een tastbaar bewijs van de 'banaliteit' van de bureaucratie tijdens de vervolging.