Dit document betreft de intrekking van een marktplaatsvergunning van een zekere M. Werkendam. De kern van de zaak is een openstaande schuld van f 1,20 (één gulden en twintig cent) voor marktplaats 154 aan de Westerstraat in Amsterdam. De chronologie in de aantekeningen laat zien dat Werkendam op 16 januari 1941 is gewaarschuwd om de schuld uiterlijk 20 januari te voldoen. Omdat dit niet is gebeurd, wordt geadviseerd de vergunning in te trekken. Er wordt tevens de vraag gesteld of Werkendam een "losse plaats" op de Nieuwmarkt kan krijgen, maar het advies (gedateerd 24 en 31 januari) is negatief omdat de schuld nog steeds niet is voldaan en de eerdere plaats al is ingetrokken. Het document is getekend door verschillende ambtenaren, waaronder Th. Wolff en iemand met de naam of functie "dekaer".
De datum van dit document, januari 1941, is historisch zeer beladen. Nederland bevindt zich in het eerste jaar van de Duitse bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog. De naam "Werkendam" is een veelvoorkomende Joodse achternaam in Amsterdam. De locaties Westerstraat en Nieuwmarkt bevinden zich in of nabij de Amsterdamse Jodenbuurt. In deze periode werden Joodse burgers stelselmatig uitgesloten van het economische leven. Hoewel dit document oogt als een reguliere administratieve handeling over een kleine schuld, kan het niet los worden gezien van de context van de bezetting. Het bureaucratisch en onverbiddelijk intrekken van een bestaansmiddel (een marktplaats) voor een zeer klein bedrag was een methode die in die tijd vaak werd toegepast om Joodse ondernemers te dwarsbomen, kort voordat de grootschalige deportaties en formele uitsluiting van de markten een feit werden. Enkele weken na deze notitie zou de Februari-staking uitbreken als reactie op de eerste grote razzia's in deze buurt.