Administratief bijblad (Alg. Zaken Model No. 14).
Origineel
Administratief bijblad (Alg. Zaken Model No. 14). 15 april 1941 tot 26 april 1941. [Stempel linksboven]:
BIJBLAD VAN:
M. No. 30/22/1 1941
DOORGEZONDEN: 15/4-41.
[Handgeschreven tekst bovenzijde]:
Verzoek ingetrokken.
Zal opnieuw schrijven verzoeken of [...] oproepen 23-4-41.
[Paraaf] Hr Rem
v/w advies 16-4-41
[Midden]:
R. Brandes
pl. 53 Waterlooplein
" 82 Mosplein
Heeft sedert 23 Febr. j.l. vrijstelling van betaling van marktgeld wegens hechtenis.
[Onderste gedeelte, diagonaal doorgestreept]:
Aan R. Brandes kan m.i. worden toegestaan, dat hij gedurende de tijd dat zijn zoon afwezig is, diens plaats in te nemen op de markten Waterlooplein en Mosplein.
dKay
vpb 26/4 '41 Dit document is een ambtelijk bijblad uit april 1941 betreffende de exploitatie van marktplaatsen in Amsterdam. De kern van de zaak is een verzoek van R. Brandes om de marktplaatsen van zijn zoon (op het Waterlooplein en het Mosplein) tijdelijk over te mogen nemen omdat de zoon "afwezig" is.
Opmerkelijk is de vermelding dat Brandes zelf sinds 23 februari 1941 vrijstelling van marktgeld genoot vanwege "hechtenis" (gevangenschap). Hoewel er aanvankelijk een positief advies lijkt te zijn geformuleerd (onderaan), is dit advies volledig doorgestreept. De uiteindelijke conclusie bovenaan het document stelt dat het verzoek is "ingetrokken". Het document dateert uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland. De datum 23 februari 1941 — het begin van de "hechtenis" van Brandes — is saillant, aangezien dit samenvalt met de grootschalige razzia's in de Joodse buurt van Amsterdam (22 en 23 februari 1941) die leidden tot de Februaristaking.
Het Waterlooplein was destijds het hart van de Joodse markt. De term "afwezig" met betrekking tot de zoon, in combinatie met de arrestatie van de vader in die specifieke week, suggereert sterk dat deze familie direct getroffen was door de anti-Joodse maatregelen of de repressie na de onlusten in Amsterdam. De administratieve afhandeling (het intrekken van het verzoek) kan wijzen op het feit dat de betrokkenen niet meer in staat waren hun beroep uit te oefenen of fysiek niet meer aanwezig waren. M. No R. Brandes