Archief 745
Inventaris 745-352
Pagina 341
Dossier 39
Jaar 1941
Stadsarchief

Ambtelijk advies / Brief

11 januari 1941

Origineel

Ambtelijk advies / Brief 11 januari 1941 A’dam, 11/1 1941

Verzoek K. van Houken
om tot de markten
te worden toegelaten

W. h. M. [Weledelgestrenge heer Meester?]
31/2/3 M [in rode inkt]
13/1/41/148

Onder terugzending van de met Uw kantbrief dd. 31 December jl. onder no. 1041 A L.M. 1940 om advies ontvangen stukken heb ik de eer U te berichten, dat dit adres geen nieuwe gezichtspunten oplevert, waardoor mijn afwijzend advies, neergelegd in mijn brief van 5 December 1940 no. 31/58/2 M. zou moeten worden gewijzigd. Er is naar mijn mening een principieel verschil in de werkwijze van adressant en in die van den gewonen standwerker. De standwerker demonstreert met het artikel, dat hij wil verkoopen; hij geeft daarvan de gebruiksaanwijzingen en laat er bv. de doelmatigheid van zien; adressant laat echter zijn gedresseerde vogels (die hij niet wil verkoopen) kunstjes maken, om daardoor vogelzaad en niet gedresseerde vogels te verkoopen. De eerstgenoemde handelingen strijden naar mijn mening niet met artikel 75 sub a der A.P.V.; de werkwijze van adressant doet dit zeer zeker wel.

Op grond van het bovenstaande heb ik de eer U te adviseeren, op het verzoek van adressant afwijzend te beschikken.

D.D. De kern van dit document is een juridisch-administratief advies over de definitie van een 'standwerker' op de Amsterdamse markt. De ambtenaar (mogelijk van de politie of de marktdienst) maakt een scherp onderscheid tussen twee praktijken:
1. De legitieme standwerker: Iemand die een product demonstreert om dat specifieke product te verkopen. Dit wordt gezien als functionele verkoop en is toegestaan onder de Algemene Politieverordening (APV).
2. De verzoeker (K. van Houken): Deze gebruikt gedresseerde vogels als 'trekpleister' of attractie om publiek te lokken, om vervolgens iets anders (vogelzaad en ongetrainde vogels) te verkopen.

De adviseur stelt dat dit laatste geen zuivere standwerkerij is, maar een vorm van straatvermaak die in strijd is met Artikel 75 sub a van de APV. Dit artikel had destijds vaak betrekking op het verbod om op de openbare weg de doorgang te belemmeren of publiek te verzamelen door middel van vertoningen zonder vergunning. Het document dateert van januari 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de bezetting al gaande was, bleef het dagelijks gemeentelijk apparaat en de handhaving van de APV in eerste instantie grotendeels volgens de vooroorlogse regels functioneren.

In Amsterdam was de druk op de markten groot en waren de regels voor standwerkers streng. Standwerkers waren een iconisch onderdeel van het Amsterdamse straatbeeld, maar de gemeente waakte er streng voor dat de markt geen verzamelplaats werd voor 'kermisachtige' vertoningen die de orde konden verstoren. De afwijzing van Van Houken illustreert de formele houding van de overheid: handel moet gericht zijn op het product zelf, niet op 'kunstjes' eromheen.

Samenvatting

De kern van dit document is een juridisch-administratief advies over de definitie van een 'standwerker' op de Amsterdamse markt. De ambtenaar (mogelijk van de politie of de marktdienst) maakt een scherp onderscheid tussen twee praktijken:
1. De legitieme standwerker: Iemand die een product demonstreert om dat specifieke product te verkopen. Dit wordt gezien als functionele verkoop en is toegestaan onder de Algemene Politieverordening (APV).
2. De verzoeker (K. van Houken): Deze gebruikt gedresseerde vogels als 'trekpleister' of attractie om publiek te lokken, om vervolgens iets anders (vogelzaad en ongetrainde vogels) te verkopen.

De adviseur stelt dat dit laatste geen zuivere standwerkerij is, maar een vorm van straatvermaak die in strijd is met Artikel 75 sub a van de APV. Dit artikel had destijds vaak betrekking op het verbod om op de openbare weg de doorgang te belemmeren of publiek te verzamelen door middel van vertoningen zonder vergunning.

Historische Context

Het document dateert van januari 1941, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Hoewel de bezetting al gaande was, bleef het dagelijks gemeentelijk apparaat en de handhaving van de APV in eerste instantie grotendeels volgens de vooroorlogse regels functioneren.

In Amsterdam was de druk op de markten groot en waren de regels voor standwerkers streng. Standwerkers waren een iconisch onderdeel van het Amsterdamse straatbeeld, maar de gemeente waakte er streng voor dat de markt geen verzamelplaats werd voor 'kermisachtige' vertoningen die de orde konden verstoren. De afwijzing van Van Houken illustreert de formele houding van de overheid: handel moet gericht zijn op het product zelf, niet op 'kunstjes' eromheen.

Gerelateerde Documenten 2