Archief 745
Inventaris 745-352
Pagina 418
Dossier 25
Jaar 1941
Stadsarchief

Ambtsbericht/Rapportage (Pagina 2)

1 juli 1941

Origineel

Ambtsbericht/Rapportage (Pagina 2) 1 juli 1941 [Linkerbovenhoek, handgeschreven met kruisverwijzing:]
+ De Inspecteur van mijn dienst is persoonlijk

-2-

zing der plaatsen bij loting plaats gevonden.
De toewijzing en loting was in handen van den Chef-marktopzichter Van Moerkerken. [doorgehaald: Persoonlijk ben ik bij de toewijzing tegenwoordig geweest, en is door mij] vastgesteld, dat toewijzing en loting op een correcte en eerlijke wijze en tot groote tevredenheid der kooplieden heeft plaats gevonden.
Inderdaad nemen enkele fruitkooplieden van het Waterlooplein op de weekmarkt Sumatrastraat een hoekplaats in, doch deze is hun op rechtmatige wijze toegewezen.

[In de kantlijn:] algemene dag

ad c. De kooplieden, die des Zaterdags op de markt Sumatrastraat een plaats innemen zijn meerendeels venters uit Oost, die dus van Maandag tot en met Vrijdag venten. Deze venters verdienen op de weekmarkt aan de Sumatrastraat een dagloon en het is lang niet zeker te achten, dat dit hun ook op de markt aan de Dapperstraat zou gelukken. Er moet namelijk rekening mee worden gehouden, dat bij verplaatsing naar de Dapperstraat deze venters op een minder goed gedeelte der markt plaatsen zouden moeten innemen, daar de plaatsen op het beste gedeelte der markt worden ingenomen door de vaste plaatshouders, die minstens drie maal per week hun plaats moeten bezetten.
Om op het betere gedeelte dezer markt een plaats te kunnen innemen zouden de venters, die op de weekmarkt Sumatrastraat een plaats innemen, hun bedrijf van venter moeten omschakelen op dat van marktkoopman.
Uit een op 14 Juni jl. ingesteld onderzoek is gebleken, dat van de op dien dag op de weekmarkt Sumatrastraat aanwezige 31 vaste en 13 losse plaatshouders er slechts 1 vaste plaatshouder vóór opheffing [in de kantlijn: c.q. verplaatsing] dezer markt was.

ad d. Uit een eveneens op 14 Juni jl. ingesteld onderzoek is gebleken, dat van de 34, op het gedeelte der Sumatrastraat, waar markt gehouden wordt, gevestigde winkeliers er 28 zich uitspraken voor behoud der markt, 5 winkeliers er onverschillig tegenover stonden, terwijl slechts 1 winkelier zich vóór opheffing der markt uitsprak.
Ik merk hierbij nog op, dat na het vestigen der markt aan de Sumatrastraat een aantal huiseigenaren hun benedenhuizen tot winkels hebben laten ombouwen en dus een aantal winkeliers zich in verband met het feit, dat des Zaterdags markt wordt gehouden in de Sumatrastraat hebben gevestigd.
Aangezien uit het ingestelde onderzoek is gebleken, dat de plaatshouders van de weekmarkt Sumatrastraat en de meeste in deze straat gevestigde winkeliers prijs stellen op behoud dezer markt, geef ik U [onderaan handgeschreven toegevoegd: in overweging den Wethouder te adviseeren om] op het adres van den venter G. Wels afwijzend te beschikken.

Amsterdam, 1 Juli 1941.

[Stempel/Paraaf]

Inspecteur,
[Handtekening] Dit document is het tweede blad van een ambtelijk rapport over de marktsituatie in de Indische Buurt in Amsterdam tijdens de Duitse bezetting. De kern van het verslag is een advies aan het gemeentebestuur (de Wethouder) om de zaterdagmarkt in de Sumatrastraat te behouden en niet te verplaatsen naar de Dapperstraat.

De inspecteur voert drie belangrijke argumenten aan:
1. Sociaal-economisch belang voor venters: De kooplui in de Sumatrastraat zijn voornamelijk "venters uit Oost". Op de Dappermarkt zouden zij op de slechtste plekken terechtkomen, omdat de goede plekken gereserveerd zijn voor fulltime marktkooplieden.
2. Draagvlak: Uit een enquête onder marktkooplieden (44 personen) en lokale winkeliers (34 personen) blijkt een overweldigende meerderheid voorstander van het behoud van de huidige locatie.
3. Stedenbouwkundige impact: Huiseigenaren hebben hun panden aangepast (verbouwd tot winkels) vanwege de aanwezigheid van de markt.

De aanleiding voor dit rapport lijkt een verzoek of klacht van een zekere "venter G. Wels" te zijn, op wiens verzoek negatief geadviseerd wordt ("afwijzend te beschikken"). Het document is gedateerd op 1 juli 1941. Dit is een cruciale periode in de geschiedenis van Amsterdam. Hoewel de toon van het document puur administratief en logistiek is, vindt dit plaats tegen de achtergrond van de Jodenvervolging. De Indische Buurt en de Dapperbuurt hadden van oudsher veel Joodse marktkooplieden en bewoners.

In februari 1941 had de Februaristaking plaatsgevonden en de bezetter voerde de druk op het ambtelijk apparaat op. Hoewel dit specifieke document de Joodse kwestie niet expliciet noemt, werden markten in deze periode vaak gereorganiseerd als onderdeel van de segregatie (bijvoorbeeld de latere instelling van speciaal aangewezen "Jodenmarkten"). Dit rapport toont echter aan dat de dagelijkse bureaucratie en de belangenafweging tussen venters en gevestigde winkeliers ook tijdens de bezetting op papier volgens de geldende regels en procedures doorgingen. De genoemde "Chef-marktopzichter Van Moerkerken" was een bekende figuur in de Amsterdamse markthistorie van die tijd.

Samenvatting

Dit document is het tweede blad van een ambtelijk rapport over de marktsituatie in de Indische Buurt in Amsterdam tijdens de Duitse bezetting. De kern van het verslag is een advies aan het gemeentebestuur (de Wethouder) om de zaterdagmarkt in de Sumatrastraat te behouden en niet te verplaatsen naar de Dapperstraat.

De inspecteur voert drie belangrijke argumenten aan:
1. Sociaal-economisch belang voor venters: De kooplui in de Sumatrastraat zijn voornamelijk "venters uit Oost". Op de Dappermarkt zouden zij op de slechtste plekken terechtkomen, omdat de goede plekken gereserveerd zijn voor fulltime marktkooplieden.
2. Draagvlak: Uit een enquête onder marktkooplieden (44 personen) en lokale winkeliers (34 personen) blijkt een overweldigende meerderheid voorstander van het behoud van de huidige locatie.
3. Stedenbouwkundige impact: Huiseigenaren hebben hun panden aangepast (verbouwd tot winkels) vanwege de aanwezigheid van de markt.

De aanleiding voor dit rapport lijkt een verzoek of klacht van een zekere "venter G. Wels" te zijn, op wiens verzoek negatief geadviseerd wordt ("afwijzend te beschikken").

Historische Context

Het document is gedateerd op 1 juli 1941. Dit is een cruciale periode in de geschiedenis van Amsterdam. Hoewel de toon van het document puur administratief en logistiek is, vindt dit plaats tegen de achtergrond van de Jodenvervolging. De Indische Buurt en de Dapperbuurt hadden van oudsher veel Joodse marktkooplieden en bewoners.

In februari 1941 had de Februaristaking plaatsgevonden en de bezetter voerde de druk op het ambtelijk apparaat op. Hoewel dit specifieke document de Joodse kwestie niet expliciet noemt, werden markten in deze periode vaak gereorganiseerd als onderdeel van de segregatie (bijvoorbeeld de latere instelling van speciaal aangewezen "Jodenmarkten"). Dit rapport toont echter aan dat de dagelijkse bureaucratie en de belangenafweging tussen venters en gevestigde winkeliers ook tijdens de bezetting op papier volgens de geldende regels en procedures doorgingen. De genoemde "Chef-marktopzichter Van Moerkerken" was een bekende figuur in de Amsterdamse markthistorie van die tijd.

Locaties

Amsterdam

Gerelateerde Documenten 2