Archief 745
Inventaris 745-352
Pagina 417
Dossier 25
Jaar 1941
Stadsarchief

Archiefdocument

8 juli 1941 Van: Een ambtenaar van het Marktwezen (ondertekend met initialen W. h. M.).

Origineel

8 juli 1941 Een ambtenaar van het Marktwezen (ondertekend met initialen W. h. M.). [Bovenmarge, handgeschreven:]
onderwerp: verplaatsing
weekmarkt Sumatrastraat
naar de Dapperstraat.

A ’dam, 8/7 1941
W. h. M. [rood potlood:] 32/5/2 M

[Handgeschreven invoeging boven de adressering:]
Onder terugzending van het met Uw kantbrief dd 23 Mei jl. om advies ontvangen stuk heb ik de eer U het volgende te berichten.

Aan den Heer Directeur
van het Marktwezen.

Naar aanleiding van het adres van G. Wels inhoudende het verzoek om tot opheffing van de weekmarkt aan de Sumatrastraat te besluiten, heb ik de eer U het volgende te rapporteeren.

De door adressant naar voren gebrachte argumenten tegen het in stand houden van de weekmarkt aan de Sumatrastraat, komen ongeveer op het volgende neer:

[In de linkermarge handgeschreven:]
1
(tijdelijke hulpmarkt uitsluitend voor levensmiddelen en bloemen)

a. in strijd met de belangen van de venters uit de Indische buurt is op aandringen van een aantal fruitkooplieden van het Waterlooplein, die des Zaterdags clandestien een plaats innamen aan de Javastraat, in 1929 in deze straat een tijdelijke hulpmarkt gevestigd uitsluitend voor den verkoop van levensmiddelen en bloemen;

b. de fruitkooplieden van het Waterlooplein nemen op de markt aan de Sumatrastraat de beste plaatsen (hoekplaatsen) in. Hierbij wordt geinsinueerd, dat bij de uitgifte dezer plaatsen indertijd, een „zoogenaamde” loting heeft plaats gevonden;

c. nu het isolement van Oost door de tunnelbouw is opgeheven, kan naar de meening van adressant de markt aan de Sumatrastraat wel verdwijnen en kunnen de kooplieden van deze markt desgewenscht een plaats innemen op de markt aan de Dapperstraat;

d. de winkeliers zouden bij opheffing dezer markt ten zeerste zijn gebaat.

[Handgeschreven:] Ten aanzien van de hierboven [getypt:] ~~De hierboven omschreven argumenten zullen door mij hieronder punt na punt worden behandeld.~~ [handgeschreven:] merk ik het volgende op.

ad a. Reeds lang voor 1929 werd door een zeer groot aantal venters uit Oost des Zaterdags clandestien een plaats ingenomen [handgeschreven:] in [getypt:] ~~aan~~ de Javastraat en wel op het gedeelte tusschen Celebesstraat en de Sumatrastraat. In 1927 kwam bij Burgemeester en Wethouders een stroom van klachten binnen van winkeliers en huiseigenaren tegen de zich voor hun winkels en perceelen opstellende venters. Van de zijde der venters werd stelselmatig aangedrongen op het stichten van een hulpmarkt.

Het stichten van een hulpmarkt werd echter in 1927 door den toenmaligen Directeur van het Marktwezen ten sterkste ontraden, aangezien dat voor de markt aan de Dapperstraat zeer nadeelig zou zijn. Eenzelfde standpunt werd ingenomen door den Marktkoopliedenbond „Mercurius”.

De Hoofdcommissaris van Politie meende echter, dat er wel eenige behoefte aan een hulpmarkt bestond, daar de Indische buurt door de spoorlijn was afgescheiden van de Dapperstraat en reeds 1 ½ jaar het houden van een markt oogluikend was toegestaan.

Tenslotte werd in 1927 door de Wethouder in overleg met den Hoofdcommissaris besloten tegen kooplieden, die plaatsen innamen aan de Javastraat streng op te treden en het vormen van een markt te beletten.

In Juli 1928 moest echter de Hoofdcommissaris erkennen, dat nog steeds een groot aantal venters in groenten, kleine eetwaren en bloemen bezig waren in de Javastraat een markt te vormen, vooral op Zaterdagmiddag en avond en dat de aanvankelijk genomen maatregelen, om dit tegen te gaan, niet het beoogde resultaat hadden bereikt. [handgeschreven:] Ten slotte [getypt:] ~~Uiteindelijk~~ werd in 1929 de Javastraat aangewezen als tijdelijke hulpmarkt.

Uit een en ander blijkt wel, dat het vestigen van deze markt niet op aandringen van de enkele fruitkooplieden van het Waterlooplein heeft plaats gevonden, doch dat de oorzaak er van moet worden gezocht in het geregeld innemen van clandestiene plaatsen door venters uit de Indische buurt.

In verband met de aanhoudende klachten van huiseigenaren, bewoners en een aantal winkeliers en mede in verband met de toenemende verkeersmoeilijkheden, werd ingaande Maart 1935, de wekelijksche hulpmarkt aan de Javastraat, verplaatst naar de Sumatrastraat.

ad b. Van de 36 vaste plaatshouders van de markt Sumatrastraat, nemen er slechts 5 van Maandag tot en met Vrijdag een plaats in op de markt Waterlooplein, op het zoogenaamde fruitpleintje.

Bij verplaatsing van de weekmarkt Javastraat naar de Sumatrastraat is in de eerste plaats rekening gehouden met de ancienniteitsrechten der kooplieden en heeft slechts voor zoover noodig de toewij- Dit document is een ambtelijk verweerschrift tegen een verzoek (een zgn. 'adres') van een burger, G. Wels, om de markt in de Sumatrastraat op te heffen. De schrijver van het rapport fileert de argumenten van de verzoeker door de ontstaansgeschiedenis van de markt te schetsen.

De kern van het betoog is dat de markt niet is ontstaan uit economisch eigenbelang van kooplieden van elders (het Waterlooplein), maar als een noodzakelijke regulering van "clandestiene" handel door buurtbewoners zelf, die de politie en het stadsbestuur niet de kop in konden drukken. Het document toont een interessante dynamiek tussen de verschillende stadsdiensten: de Directeur van het Marktwezen en de bond Mercurius waren tegen, maar de Politie en de Wethouder zagen zich gedwongen de realiteit van de straathandel te erkennen en te formaliseren.

De handgeschreven correcties laten zien dat er kritisch naar de formulering is gekeken (bijvoorbeeld het vervangen van "Uiteindelijk" door "Ten slotte" en het verfijnen van de inleidende zinnen). Het document dateert van juli 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting. Hoewel de oorlogssituatie niet expliciet wordt genoemd, valt de rapportage binnen een periode van toenemende regulering en beperkingen.

Opvallend is de referentie naar de fruitkooplieden van het Waterlooplein. Het Waterlooplein was het hart van de Joodse buurt; in 1941 werden Joodse kooplieden steeds meer geïsoleerd en beperkt in hun handelsmogelijkheden door de bezetter. Hoewel dit rapport zich strikt ambtelijk op marktlogistiek richt, is de geografische en sociaal-economische scheidslijn tussen "Oost" (de Indische Buurt) en de oude binnenstad (Waterlooplein) een belangrijk element in de discussie.

Daarnaast wordt de stedenbouwkundige ontwikkeling van Amsterdam-Oost benoemd: de opheffing van het "isolement" van de buurt door de bouw van spoorwegtunnels (onderdeel van de Spoorwegwerken Oost uit de jaren '30), wat door de verzoeker wordt aangegrepen om te stellen dat een eigen buurtmarkt niet langer nodig is.

Samenvatting

Dit document is een ambtelijk verweerschrift tegen een verzoek (een zgn. 'adres') van een burger, G. Wels, om de markt in de Sumatrastraat op te heffen. De schrijver van het rapport fileert de argumenten van de verzoeker door de ontstaansgeschiedenis van de markt te schetsen.

De kern van het betoog is dat de markt niet is ontstaan uit economisch eigenbelang van kooplieden van elders (het Waterlooplein), maar als een noodzakelijke regulering van "clandestiene" handel door buurtbewoners zelf, die de politie en het stadsbestuur niet de kop in konden drukken. Het document toont een interessante dynamiek tussen de verschillende stadsdiensten: de Directeur van het Marktwezen en de bond Mercurius waren tegen, maar de Politie en de Wethouder zagen zich gedwongen de realiteit van de straathandel te erkennen en te formaliseren.

De handgeschreven correcties laten zien dat er kritisch naar de formulering is gekeken (bijvoorbeeld het vervangen van "Uiteindelijk" door "Ten slotte" en het verfijnen van de inleidende zinnen).

Historische Context

Het document dateert van juli 1941, ruim een jaar na het begin van de Duitse bezetting. Hoewel de oorlogssituatie niet expliciet wordt genoemd, valt de rapportage binnen een periode van toenemende regulering en beperkingen.

Opvallend is de referentie naar de fruitkooplieden van het Waterlooplein. Het Waterlooplein was het hart van de Joodse buurt; in 1941 werden Joodse kooplieden steeds meer geïsoleerd en beperkt in hun handelsmogelijkheden door de bezetter. Hoewel dit rapport zich strikt ambtelijk op marktlogistiek richt, is de geografische en sociaal-economische scheidslijn tussen "Oost" (de Indische Buurt) en de oude binnenstad (Waterlooplein) een belangrijk element in de discussie.

Daarnaast wordt de stedenbouwkundige ontwikkeling van Amsterdam-Oost benoemd: de opheffing van het "isolement" van de buurt door de bouw van spoorwegtunnels (onderdeel van de Spoorwegwerken Oost uit de jaren '30), wat door de verzoeker wordt aangegrepen om te stellen dat een eigen buurtmarkt niet langer nodig is.

Gerelateerde Documenten 2