Archiefdocument
Origineel
Linksboven (onderstreept):
Verplaatsing
weekmarkt
Sumatrastraat
Rechtsboven:
A’dam, 6/1 1942 [daarboven met ander handschrift: 7/8/42]
W. L. M. [daaronder in rood: 32/5/5/41]
Hoofdtekst:
Onder terugzending van het met Uw kantbrief dd. 10 November jl. om advies ontvangen stuk No 563 LM. 1941 heb ik de eer U te berichten, dat ik omtrent de onderhavige aangelegenheid uitvoerig heb gerapporteerd in mijn brief van 9 Juli jl. no. 32/5/2 M., waarnaar ik U kortheidshalve moge verwijzen. De in dit rapport door mij aangevoerde motieven gelden thans nog in dezelfde mate. Ten overvloede heb ik op Zaterdag 24 November jl. opnieuw door den op de Sumatrastraat dienstdoenden marktambtenaar een enquête onder de op deze markt staande kooplieden doen houden, waarbij bleek, dat van de 21 kooplieden er 19 tegen verplaatsing waren, 1 was er voor en 1 stemde blanco. Verplaatsing van markten heeft, zooals de praktijk heeft geleerd, geen zin, wanneer de kooplieden moeten worden gedwongen om op een andere markt een plaats te bezetten. In het onderhavige geval zou opheffing van de markt aan de Sumatrastraat slechts tengevolge hebben, dat de venters uit deze buurt des nachts clandestien een plaats in deze
Kantlijn links (verticaal geschreven, vervolg van de tekst):
straat zouden innemen. Ik gaf U mitsdien beleefd in overweging op het onderhavige verzoek opnieuw afwijzend te beschikken. In deze ambtelijke correspondentie adviseert een functionaris (waarschijnlijk van de Marktdienst) krachtig tegen de verplaatsing of opheffing van de weekmarkt in de Sumatrastraat in Amsterdam-Oost.
De kern van het betoog is drieledig:
1. Draagvlak: Een gehouden enquête toont aan dat nagenoeg alle kooplieden (19 van de 21) faliekant tegen de verplaatsing zijn.
2. Praktische uitvoerbaarheid: De schrijver stelt dat gedwongen winkelnering op een andere locatie niet werkt ("geen zin heeft").
3. Handhaving: Er wordt gewaarschuwd voor een ongewenst neveneffect: als de officiële markt verdwijnt, zullen de handelaren hun waar 's nachts clandestien op straat gaan verkopen, wat de openbare orde meer zou schaden dan de huidige situatie.
De toon is formeel-ambtelijk ("heb ik de eer U te berichten", "mitsdien beleefd in overweging"). De conclusie is duidelijk: wijs het verzoek tot verplaatsing opnieuw af. Het document is geschreven in januari 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De Sumatrastraat is het hart van de Indische Buurt, een wijk die in deze periode zwaar getroffen werd door de anti-Joodse maatregelen, aangezien er veel Joodse Amsterdammers woonden en werkten.
Hoewel de brief over een ogenschijnlijk alledaags onderwerp gaat — de locatie van een markt — laat het de spanning zien tussen stedelijke ordening en de dagelijkse realiteit van de straathandel in oorlogstijd. De vrees voor "clandestiene" handel is kenmerkend voor deze periode, waarin de schaarste toenam en de zwarte markt en informele handel steeds belangrijker werden voor de overleving van de stadsbevolking. Het document illustreert hoe de gemeentelijke bureaucratie ook onder bezettingsomstandigheden probeerde de normale gang van zaken te handhaven op basis van eerdere (vooroorlogse) rapporten en praktijkervaring.