Archiefdocument
Origineel
Een marktbeambte (handtekening leest vermoedelijk als Muys). Den Heer Inspecteur (van het Marktwezen). Brief No 33/13/1 m' 41.
Den Heer Inspecteur.
In verband met het verzoek van S. Kapper -
Dinsdag om uitstel van plaatsbezetting op de
markt Westerstraat, bericht ik U, dat m.i. aan
zijn verzoek kan worden voldaan.
Heeft haast geen handel.
Staat met garen en band in A.dam. 5/4 '41
alb. Cuijpstraat.
[Handtekening: Muys] Het document is een kort ambtelijk schrijven waarin wordt geadviseerd over een verzoek van de marktkoopman S. Kapper. Kapper vraagt om uitstel voor het bezetten van zijn vaste standplaats op de dinsdagmarkt in de Westerstraat. De opsteller van het briefje adviseert de Inspecteur dat dit verzoek kan worden ingewilligd.
De reden voor het verzoek is economisch van aard: de koopman heeft "haast geen handel" meer op die locatie. Ter achtergrondinformatie wordt vermeld dat de betreffende koopman ook op de Albert Cuypstraat staat met "garen en band" (kleinvak-artikelen zoals naaigaren, lint en elastiek). De afkorting "m.i." in de tekst staat voor "mijns inziens". Dit document is gedateerd op 5 april 1941, een klein jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De context van de Amsterdamse markten in deze periode is beladen. Veel marktkooplieden in de Jordaan (Westerstraat) en de Pijp (Albert Cuypstraat) waren van Joodse afkomst. De naam S. Kapper komt in archieven uit die tijd inderdaad voor als Joodse marktkoopman.
De opmerking dat hij "haast geen handel" heeft, moet mogelijk gezien worden in het licht van de toenemende anti-Joodse maatregelen van de bezetter, die de economische positie van Joodse ondernemers stelselmatig ondermijnden. Slechts enkele maanden na dit schrijven, in de nazomer van 1941, zouden Joodse kooplieden volledig van de reguliere markten worden geweerd en verbannen worden naar speciaal aangewezen "Joodsche markten". Dit memo legt een klein, administratief moment vast in de aanloop naar die volledige uitsluiting. S. Kapper Marktwezen