Getypte notulen of ambtelijk verslag (pagina 3).
Origineel
Getypte notulen of ambtelijk verslag (pagina 3). Niet expliciet vermeld op deze pagina; de spelling en context ("distributie", "Centrale Markt") wijzen op de jaren '30 of de vroege naoorlogse periode (ca. 1945-1950). -3-
appelverbruik in Amsterdam van 39.000 mud per week;
bij dit enorme verbruik waren de groentengrossiers
nog in staat om voldoende groenten te leveren; na de
distributie is het aantal hl. aardappelen terugge-
loopen tot [open ruimte] per week. Deze teruggang
zal ook zijn terugslag geven op het verbruik van
groenten. De positie van de groentengrossiers wordt
hierdoor weer moeilijker. Wat Stabij en Bernhard
betreft zegt Dijkstra, dat deze personen feitelijk
als [open ruimte] moeten worden aangemerkt; zij kunnen
worden aangeduid met de naam [open ruimte] ; het
zijn zeker geen volwaardige grossiers.en zij betee-
kenen een gevaar voor de bonafide handel op de Cen-
trale Markt.
De Directeur zegt, dat men bij het beoordeelen van het onderhavige
onderwerp met twee grondslagen rekening moet houden:
de kwaliteit en de kwantiteit. Voor wat de kwantiteit
betreft wijst spreker erop, dat de Centrale Markt
ruim is opgezet omdat er destijds 400 grossiers op
de oude markt hun brood verdienden. Verschillende
ervan zijn intusschen reeds afgevloeid en de prac-
tijk heeft inmiddels bewezen, dat open plaatsen niet
geschikt zijn voor den groentenhandel. Derhalve is
besloten, dat deze plaatsen niet meer zullen worden
uitgegeven en zooveel mogelijk zal worden bevorderd,
dat de bestaande plaatshouders [doorgestreept: xxx] naar de pakhuizen
zullen gaan. Indien derhalve de pakhuisafdeelingen
alle zijn verhuurd, is er verder geen ruimte op de
Centrale Markt voor nieuwe grossiers beschikbaar.
Vooralsnog zal niet worden overwogen om nieuwe pak-
huisafdeelingen bij te bouwen voor den groentenhandel
omdat daaraan voorloopig geen behoefte is. De questie
van de kwantiteit lost zich derhalve vanzelf op. Wat
de kwaliteit betreft wijst spreker erop, dat ten
aanzien hiervan reeds bepaalde maatstaven zijn aan-
gelegd. Men moet een groothandelserkenning bezitten
en over voldoende financieele capaciteit om op de
Centrale Markt handel te kunnen drijven. Ten aanzien
van Stabij en Bernhard staat de zaak echter in zoo-
verre anders, dat deze grossiers reeds een verleden
op de Centrale Markt hebben. Er moeten dan ook ge-
gronde bezwaren bestaan om hen de toegang tot de
markt te weigeren.
De handel herhaalt, dat beide grossiers als
gelegenheidskooplieden moeten worden beschouwd en dus
geacht moeten worden niet den bonafiden groothandel
uit te oefenen.
Verzoek van S.Groenhuyzen om als grossier Deze pagina van het verslag belicht de overgangsfase van de Amsterdamse groothandel in levensmiddelen. Er wordt gediscussieerd over de toelatingsvoorwaarden voor grossiers op de Centrale Markt.
Kernpunten:
1. Economische druk: Er is sprake van een terugloop in de consumptie (mudden appelen en hectoliters aardappelen), wat de positie van handelaren bemoeilijkt.
2. Professionalisering: Er is een duidelijke spanning tussen de gevestigde 'bonafide' handel en zogenaamde 'gelegenheidskooplieden' (zoals Stabij en Bernhard). De marktstaf hanteert strengere kwaliteitseisen, zoals de eis van een officiële groothandelserkenning en financiële draagkracht.
3. Ruimtelijke ordening: Men wil de handel concentreren in pakhuizen en de 'open plaatsen' (die waarschijnlijk minder hygiënisch of efficiënt waren) uitfaseren.
4. Open ruimtes in de tekst: De gaten in de eerste alinea suggereren dat de notulist specifieke kwalificaties of namen nog moest invullen, of dat deze in het originele concept werden weggelaten. De "Centrale Markt" verwijst naar de Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat in Amsterdam-West, geopend in 1934. Het verving de oude, chaotische groentemarkt aan de Marnixstraat. De tekst ademt de sfeer van de vroege wederopbouw of de late crisisjaren, waarin de overheid en marktmeesters probeerden de handel strakker te organiseren door middel van vestigingswetten en vergunningen. De genoemde "distributie" verwijst naar de rantsoenering van voedsel, een centraal thema in de Nederlandse economie tussen 1939 en 1949.