Ambtelijke nota / Beschouwing.
Origineel
Ambtelijke nota / Beschouwing. Februari 1941. GEMEENTE AMSTERDAM
Eenige voorloopige beschouwingen van Burgemeester en Wethouders in zake de belangen van Amsterdam bij de uitvoering van de Zuidelijke polders van het Ysselmeer.
AMSTERDAM, Februari 1941.
Het voorstel van de raadsleden Jansma c.s. in zake instelling van een Commissie om te rapporteeren over Amsterdams belangen bij de Zuidelijke polders van het Ysselmeer geeft aanleiding tot onderstaande voorloopige beschouwingen.
De aanleg van de Zuidelijke polders is ongetwijfeld het belangrijkste werk van de drooglegging der Zuiderzee. Niet alleen de schaal van de werken, doch ook de veelzijdigheid der verschillende vraagstukken, die zich hierbij voordoen, overtreffen verre alles wat tot nu toe in ons land op soortgelijk gebied tot stand werd gebracht. Ook in het buitenland is niets bekend, dat als opgave hiermede te vergelijken zou zijn.
Het gaat hier immers om het scheppen van een nieuw land ter oppervlakte van niet minder dan 150.000 ha, d.i. ruim de oppervlakte van de provincie Utrecht. Bedenkt men, dat de Haarlemmermeer rond 18.000 ha. groot is, de Wieringermeer rond 20.000 ha. en de Noord-Oostelijke Zuiderzeepolders 48.000 ha., dan geven deze cijfers in vergelijking met het gezamenlijk oppervlak der Zuidelijke polders een indruk van de schaal der werken, welke thans zullen worden ondernomen.
Door deze zooveel grootere schaal treedt ook het bijzondere karakter van het werk duidelijk naar voren. Het gaat niet meer in de eerste plaats om het tot stand komen van een droogmakerij, zooals er zoovele in ons land in den loop der eeuwen tot stand zijn gekomen, doch dan van een veel grooteren omvang. Dit is niet meer in hoofdzaak een reusachtig technisch werk, het is in wezen een stedebouwkundig vraagstuk van den allereersten rang, dat wellicht het beste is te * Taalgebruik: Het document hanteert de spelling-Marchant (gebruikelijk voor de hervorming van 1947), herkenbaar aan woorden als "eenige", "voorloopige", "zoovele" en "stedebouwkundig".
* Inhoud: De tekst onderstreept de paradigmashift in de Nederlandse waterbouw. Waar eerdere polders (zoals de Haarlemmermeer) primair als technische droogmakerijen werden gezien, worden de toekomstige Zuidelijke Polders (het huidige Flevoland) gedefinieerd als een integraal "stedebouwkundig vraagstuk".
* Vergelijking: Om de schaal te duiden, wordt het nieuwe land (150.000 ha) vergeleken met de provincie Utrecht. Dit illustreert de ambitie van de plannenmakers midden in de 20e eeuw.
* Fysieke staat: Het is een getypt document met enkele handgeschreven correcties. Opvallend is de verbetering van de 'I' naar een 'Y' in "Ysselmeer", wat duidt op een specifieke voorkeur voor de spelling destijds. * Historisch moment: Februari 1941 is een beladen periode in de Amsterdamse geschiedenis; het is de maand van de Februaristaking tijdens de Duitse bezetting. Ondanks de oorlogssituatie ging de ambtelijke planning voor de nationale toekomst (de Zuiderzeewerken) door.
* Betrokkenen: "Jansma c.s." verwijst naar mr. K. Jansma, een jurist en raadslid die gold als een groot expert en promotor van de Zuiderzeewerken.
* Ruimtelijke Ordening: Dit document vormt een vroege schakel in de visievorming die uiteindelijk zou leiden tot de stichting van Lelystad en Almere. Amsterdam voorzag al vroeg dat deze nieuwe polders essentieel zouden zijn voor de eigen groei en stedelijke belangen.
* Status project: In 1941 was de Noordoostpolder ("Noord-Oostelijke Zuiderzeepolders") bijna voltooid. De discussie verschoof toen naar de "Zuidelijke polders", die pas na de oorlog daadwerkelijk gerealiseerd zouden worden.