Archief 745
Inventaris 745-367
Pagina 17
Dossier 4
Jaar 1941
Stadsarchief

Getypte nota / rapportage (pagina 2).

Origineel

Getypte nota / rapportage (pagina 2). -2-

Op grond hiervan kwam Ir.Schilthuis in een nota van April/Mei 1930 tot de conclusie, dat door het maken van één Zuidelyken polder op den dyksaanleg c.a. omstreeks 30 millioen zou worden bezuinigd, welk bedrag by het in rekening brengen van den rentelast van het bouwkapitaal tot 20 millioen terugliep.

Inmiddels is meerdere ervaring met het maken der polders opgedaan en het is daarom noodzakelyk, opnieuw een vergelyking te treffen tusschen de plannen met en zonder een middenkanaal (zie bylage 1) om te beslissen, aan welk plan de voorkeur moet worden gegeven. Daarby kan allereerst worden opgemerkt, dat de beide bovenvermelde ramingen zyn opgesteld vóór de Wieringermeer was drooggelegd en vóór ervaring was opgedaan omtrent de moeilykheden, welke het verkavelen, ontginnen en in cultuur brengen van een zoo groote uitgestrektheid drooggevallen zeebodem medebrengen. De kosten van het verkavelelen c.a. zyn dan ook in genoemde ramingen voor een grooten of kleinen polder op éénzelfde bedrag per ha gesteld. Volgens de sindsdien verkregen inzichten is dit niet juist: de moeilykheden worden grooter naarmate de tegelyk droogvallende oppervlakte uitgestrekter is en dit zal in de kosten tot uitdrukking komen.

Voor wat betreft de landbouwkundige werken neemt de Directie van de Wieringermeer voorloopig zelfs het standpunt in, dat de moeilykheden, verbonden aan het in één maal droogvallen van den Zuidoostelyken polder reeds zoo zwaar wegen, dat het noodzakelyk moet worden geacht, dezen polder van ongeveer 100.000 ha door een dyk in twee gedeelten te verdeelen, welke afzonderlyk in cultuur dienen te worden gebracht. By het daaromtrent gevoerde overleg gaf zy aan, dat de direct aanwysbare meerdere ontginningskosten, welke zouden optreden, indien deze polder in zyn geheel werd drooggelegd, op ongeveer f.10.000.000.- konden worden gesteld. Daarnaast waren een aantal factoren aanwezig, die een ernstig risico medebrachten, dat echter bezwaarlyk in geld kon worden gewaardeerd. By een polder van omstreeks 150.000 ha zyn de moeilykheden en risico's uiteraard nog weer beduidend grooter en deze worden vrywelyk zeker onderschat, indien hiervoor een bedrag van f.15.000.000.- wordt aangehouden.

Ook de waterbouwkundige werken binnen den polder ondervinden bezwaren by een te groote oppervlakte. In het byzonder de kanalen zullen duurder worden. Hun lengte wordt vergroot, doch bovendien zal het gemiddeld grondverzet stygen, omdat de gemalen op ongunstiger, hooger gelegen punten moeten worden geplaatst, indien het gunstig in het diepste gedeelte van den polder gelegen middenkanaal vervalt. Ten slotte zal het in een grooten polder langer duren eer de geheele polder is ontgonnen en in den tusschentyd zullen de onderhoudskosten van de in het onontgonnen gedeelte gelegen waterloopen zeer hoog zyn. Vooral de laatste post is niet nauwkeurig te begrooten, doch het is waarschynlyk dat de totale kosten voor de kanalen, die op f.30.000.000.- zyn te stellen, met ongeveer 20% zullen moeten worden verhoogd, hetgeen dus een meerdere kosten beteekent van rond f.6.000.000.-.

By het achterwege laten van het middenkanaal zal dus van het in 1930 becyferde voordeel zeker 21 millioen (15 millioen voor landbouwkundige werken + 6 millioen voor de kanalen) moeten worden afgetrokken. Wordt hierby ook met den vermeerderden rentelast gerekend, dan zal dit bedrag de bezuiniging van 20 millioen by het in rekening brengen van den rentelast waarschynlyk overtreffen.

Het landbouwkundige bezwaar zou ondervangen kunnen worden door in den grooten polder het Zuidwestelyk deel door een dyk af te scheiden. Volgens de aanvankelyke gedachte bedroeg de besparing: de kosten der beide dyken Deze tekst betreft een ambtelijke of technische analyse van de kosten en risico's verbonden aan de ontginning van de Zuiderzeepolders. De kern van het betoog is dat eerdere kostenramingen (met name die van Ir. Schilthuis uit 1930) te optimistisch waren over de besparingen die behaald konden worden door polders op grote schaal in één keer aan te leggen.

De auteur voert aan dat:
1. Ervaring uit de Wieringermeer leert dat het in cultuur brengen van een zeer grote oppervlakte complexer en duurder is dan verwacht.
2. Landbouwkundige risico's bij een polder van 100.000 tot 150.000 ha (zoals de beoogde Zuidoostelijke polder) zo groot zijn dat opdeling door een extra dijk noodzakelijk is.
3. Waterbouwkundige nadelen optreden wanneer een centraal 'middenkanaal' ontbreekt, wat leidt tot duurdere kanalen en minder gunstig geplaatste gemalen.
4. Financiële conclusie: De geprojecteerde bezuiniging van 20-30 miljoen gulden wordt nagenoeg volledig tenietgedaan door de extra kosten (21 miljoen gulden) die nodig zijn om de grootschaligheid beheersbaar te houden. Dit document bevindt zich in de historische context van de uitvoering van de Zuiderzeewerken onder de 'Wet Lely'. Na de voltooiing van de Wieringermeer (1930) begon de planning voor de grotere polders (Noordoostpolder en de latere Flevopolders).

Ir. G.J. Schilthuis was een belangrijk figuur binnen de Dienst der Zuiderzeewerken en later directeur van de Directie van de Wieringermeer. In de vroege jaren '30 was er een voortdurende discussie over de efficiëntie van het project. Men worstelde met de vraag of men één gigantische polder moest maken of meerdere kleinere eenheden. Uiteindelijk leidde deze discussie, zoals deels in de tekst verwoord, tot het inzicht dat een gefaseerde aanpak met dijken tussen de polders (zoals de scheiding tussen Oostelijk en Zuidelijk Flevoland) technisch en economisch verstandiger was dan één ononderbroken landoppervlak. De genoemde bedragen in guldens (f.) geven een indruk van de enorme schaal van de investeringen in die tijd.

Samenvatting

Deze tekst betreft een ambtelijke of technische analyse van de kosten en risico's verbonden aan de ontginning van de Zuiderzeepolders. De kern van het betoog is dat eerdere kostenramingen (met name die van Ir. Schilthuis uit 1930) te optimistisch waren over de besparingen die behaald konden worden door polders op grote schaal in één keer aan te leggen.

De auteur voert aan dat:
1. Ervaring uit de Wieringermeer leert dat het in cultuur brengen van een zeer grote oppervlakte complexer en duurder is dan verwacht.
2. Landbouwkundige risico's bij een polder van 100.000 tot 150.000 ha (zoals de beoogde Zuidoostelijke polder) zo groot zijn dat opdeling door een extra dijk noodzakelijk is.
3. Waterbouwkundige nadelen optreden wanneer een centraal 'middenkanaal' ontbreekt, wat leidt tot duurdere kanalen en minder gunstig geplaatste gemalen.
4. Financiële conclusie: De geprojecteerde bezuiniging van 20-30 miljoen gulden wordt nagenoeg volledig tenietgedaan door de extra kosten (21 miljoen gulden) die nodig zijn om de grootschaligheid beheersbaar te houden.

Historische Context

Dit document bevindt zich in de historische context van de uitvoering van de Zuiderzeewerken onder de 'Wet Lely'. Na de voltooiing van de Wieringermeer (1930) begon de planning voor de grotere polders (Noordoostpolder en de latere Flevopolders).

Ir. G.J. Schilthuis was een belangrijk figuur binnen de Dienst der Zuiderzeewerken en later directeur van de Directie van de Wieringermeer. In de vroege jaren '30 was er een voortdurende discussie over de efficiëntie van het project. Men worstelde met de vraag of men één gigantische polder moest maken of meerdere kleinere eenheden. Uiteindelijk leidde deze discussie, zoals deels in de tekst verwoord, tot het inzicht dat een gefaseerde aanpak met dijken tussen de polders (zoals de scheiding tussen Oostelijk en Zuidelijk Flevoland) technisch en economisch verstandiger was dan één ononderbroken landoppervlak. De genoemde bedragen in guldens (f.) geven een indruk van de enorme schaal van de investeringen in die tijd.

Kooplieden in dit dossier 34

Amstelmeer met Amstelmeerkanaal en Waard- en Groetkanaal
Andere hakvruchten 375000 "
Andere handels- gewassen$^2$) 9375 "
Dorpskernen en industrieterreinen
Erven van gebouwen en lustplaatsen 2,2
Boonen 87500 "
Boonen 87500 "
Groenvoeder- Gewassen - $^3)$
Kanalen, vaarten en tochten
J. Zand ( 1,3)
A. Geboorte ( 1,3)
J. Zand (16,6)
A. Geboorte (16,6)
Lichte zavel
Lichte zavel (20,8)
A. Geboorte (20,8)
N.O.polder 47600
Onbelastbare eigendommen 3,3
B. Overige 3169
B. Overige 96250 "
B. Overige 43750 "
Overige handels- gewassen 1751$^4)$
Overige knol-, Wortel- en bolgewassen 50700
Rietland, kwelders, moeras 0,1
Wieringermeerdijk en Amstelmeerdijk
Z.O.polder 93700
Alle 34 kooplieden →