Archief 745
Inventaris 745-367
Pagina 73
Dossier 92
Jaar 1941
Stadsarchief

Gedrukte tekst, waarschijnlijk afkomstig uit een ambtelijk rapport of technisch advies met betrekking tot de Zuiderzeewerken.

Origineel

Gedrukte tekst, waarschijnlijk afkomstig uit een ambtelijk rapport of technisch advies met betrekking tot de Zuiderzeewerken. [Pagina 26]

dat, hetwelk bij de moderne agrarische eischen in de polderwateren toelaatbaar wordt geacht. Nu heeft de Commissie-Lovink eertijds aangetoond, dat het belangrijkste voordeel van de afsluiting van de Zuiderzee gelegen zou zijn in de ontstane gelegenheid tot het inlaten van zoet water in de omringende landen. Het was in hoofdzaak hierdoor, dat de afsluiting als een op zichzelf verantwoord waterstaatswerk werd beschouwd. Aangezien zeer groote geldelijke offers, tot een totaalbedrag van rond 200 millioen, voor het maken van den afsluitdijk zijn gebracht, mag genoemd voordeel niet terzijde worden gesteld.

Aangezien aan drinkwater hooger eischen worden gesteld dan aan water ten behoeve van den landbouw, zou de gelegenheid om in de toekomst het IJsselmeer als prise d’eau voor het drinkwater te gebruiken derhalve komen te vervallen, wanneer de zuidelijke polders volledig op dit meer zouden loozen. Hoe in de komende eeuwen in de behoefte aan drinkwater in ons land zal worden voorzien, is niet te overzien, maar de Drinkwatercommissie „Westen des Lands” heeft wel aangetoond, dat de hoeveelheden voor het verkrijgen van drinkwater beschikbaar ruw water in de toekomst zeer beperkt zullen zijn, zoodat het met het oog op een eminent belang van volksgezondheid niet verantwoord zou zijn, voorgoed de gelegenheid af te sluiten om drinkwater aan het IJsselmeer te onttrekken. Laatstgenoemde commissie toch heeft onder bepaalde voorwaarden het IJsselmeer gekenmerkt als een geschikte prise d’eau voor drinkwatervoorziening.

Wanneer het uitslagwater van de zuidelijke polders geheel of gedeeltelijk op het IJmeer wordt gebracht, zal dit in den regel langs het Noordzeekanaal worden afgevoerd. Aangezien het zoutgehalte van het IJmeer belangrijk lager zal zijn dan dat van den Noordzeekanaalboezem, zal afvoer van dit water bijdragen tot vermindering van de zoutgehalten op dat kanaal. Op deze wijze zal bij den afvoer van het zout het juiste beginsel worden gevolgd, dat het in de polderwateren gedrongen zout langs den kortst mogelijken weg weder naar zee moet worden afgevoerd. In perioden van groot waterbezwaar zal het in verband met den vermeerderden waterlast op het IJ-meer uiteraard noodzakelijk zijn, dat dit meer op het IJsselmeer zal kunnen loozen. Het zout, dat daardoor op het IJsselmeer gebracht zal worden, zal daar geen overwegend bezwaar meer opleveren, omdat zulks zal geschieden in natte perioden, waarin het waterbezwaar op het IJsselmeer zoo groot is, dat dan geen hinderlijke stijging van het zoutgehalte zal optreden.

26

[Pagina 27]

De IJmeer-commissie heeft er ook de aandacht op gevestigd, dat de frequentie van de hooge waterstanden op den Noordzeekanaalboezem belangrijk zou worden gereduceerd, wanneer ook rekening wordt gehouden met de loozing op het IJsselmeer. De verbetering van den waterstaatkundigen toestand ter plaatse tengevolge van de aanwezigheid van het IJsselmeer, behoort bij den aanleg der polders niet weder tenietgedaan te worden, zoodat ook uit dien hoofde op loozing van het IJmeer op het IJsselmeer moet worden gerekend.

In de laatste jaren is bijzonder de aandacht gevestigd op de toenemende verzilting, waaraan de wateren in ons westelijk polderland blootstaan, hetgeen gevaren met zich brengt voor den zich steeds verfijnenden landbouw. Bij het scheppen van den nieuwen toestand in het IJsselmeer, waarvan de gevolgen zich eeuwen lang zullen doen gevoelen, moet met dezen factor rekening worden gehouden en in het algemeen moet er naar worden gestreefd, het binnendringen en het verspreiden van het zoute water zooveel mogelijk tegen te gaan. Een ernstige bron van verzouting vormen de zeesluizen van het Noordzeekanaal en het is nu van groot belang om het vandaar naar binnen dringen van het zout door zoo krachtig mogelijk spuien te IJmuiden tegen te gaan. De ervaring leerde reeds, dat daartoe met succes gebruik gemaakt kan worden van ingelaten IJsselmeerwater. Deze gelegenheid mag derhalve bij het maken der inpolderingen niet komen te vervallen en daartoe zal watertransport tusschen IJssel- en IJmeer mogelijk moeten zijn.

Op grond van de voorgaande overwegingen is de conclusie getrokken, dat er bij het maken van de plannen voor de zuidelijke polders op moet worden gerekend, dat er een ruime waterverbinding noodig zal zijn tusschen IJ- en IJsselmeer.

Keuze tusschen één grooten zuidelijken polder en een Zuidwestelijken en een Zuidoostelijken polder. Uitgaande van de noodzakelijkheid van een ruime waterverbinding tusschen IJ- en IJsselmeer rijst de vraag of de keuze zal vallen op één grooten zuidelijken polder, dan wel op een Zuidwestelijken en een Zuidoostelijken polder.

Tijdens de nadere studie van het plan-Wortman in 1930 was nog geen ervaring opgedaan met de moeilijkheden, welke het verkavelen, ontginnen en in cultuur brengen van groote uitgestrektheden drooggevallen zeebodem medebrengen. De kosten van het verkavelen c.a. zijn toen voor een grooten of een kleinen polder op hetzelfde bedrag per ha gesteld. Volgens de sindsdien verkregen inzichten is dit niet

27 De tekst behandelt de complexe hydrologische vraagstukken die ontstonden na de afsluiting van de Zuiderzee. De kernpunten zijn:

  1. Waterbeheer en Saliniteit: Er wordt een sterk pleidooi gehouden voor het gescheiden houden van zout polderwater en het zoete water van het IJsselmeer. Het principe is dat zout water via de kortste weg (Noordzeekanaal/IJmuiden) naar de zee moet worden afgevoerd.
  2. Drinkwatervoorziening: Het IJsselmeer wordt geïdentificeerd als een cruciale toekomstige bron voor drinkwater ("prise d'eau"). Lozing van brak polderwater op het meer moet daarom worden beperkt om de waterkwaliteit voor de volksgezondheid te waarborgen.
  3. Verzilting: Er is grote zorg over de verzilting van landbouwgronden in West-Nederland. Het doorspoelen van het Noordzeekanaal met IJsselmeerwater wordt als een noodzakelijke oplossing gezien.
  4. Ruimtelijke Ordening: De tekst legt de technische basis voor de besluitvorming over de opdeling van de resterende inpolderingen. Er wordt geconcludeerd dat er een brede waterverbinding (de latere randmeren/IJmeer-verbinding) moet blijven bestaan tussen het IJ en het IJsselmeer, wat invloed heeft op de vorm van de polders (bijv. de keuze tussen één grote polder of de opdeling in de Markerwaard en de Flevopolders). Dit document bevindt zich in het hart van de discussie over de uitvoering van de Zuiderzeewerken. Na de voltooiing van de Afsluitdijk (1932) en de Wieringermeerpolder, verschoof de aandacht naar de grotere zuidelijke polders.

  5. Commissie-Lovink: Een belangrijke staatscommissie die adviseerde over de landbouwkundige en economische inrichting van de nieuwe gronden.

  6. Plan-Wortman (1930): Genoemd als het oorspronkelijke uitgangspunt van de Dienst der Zuiderzeewerken (onder leiding van Hendrik Wortman), dat later werd herzien op basis van voortschrijdend inzicht over bodemgesteldheid en waterhuishouding.
  7. Historisch belang: De tekst illustreert de verschuiving van puur landwinningsdenken naar een integrale benadering van watermanagement, waarbij functies als drinkwater en zoutbestrijding even zwaar gingen wegen als het creëren van nieuwe landbouwgrond. Dit leidde uiteindelijk tot het besluit om niet de gehele zuidwesthoek in te polderen, wat de Markerwaard uiteindelijk deed vervallen als volwaardige polder.

Samenvatting

De tekst behandelt de complexe hydrologische vraagstukken die ontstonden na de afsluiting van de Zuiderzee. De kernpunten zijn:

  1. Waterbeheer en Saliniteit: Er wordt een sterk pleidooi gehouden voor het gescheiden houden van zout polderwater en het zoete water van het IJsselmeer. Het principe is dat zout water via de kortste weg (Noordzeekanaal/IJmuiden) naar de zee moet worden afgevoerd.
  2. Drinkwatervoorziening: Het IJsselmeer wordt geïdentificeerd als een cruciale toekomstige bron voor drinkwater ("prise d'eau"). Lozing van brak polderwater op het meer moet daarom worden beperkt om de waterkwaliteit voor de volksgezondheid te waarborgen.
  3. Verzilting: Er is grote zorg over de verzilting van landbouwgronden in West-Nederland. Het doorspoelen van het Noordzeekanaal met IJsselmeerwater wordt als een noodzakelijke oplossing gezien.
  4. Ruimtelijke Ordening: De tekst legt de technische basis voor de besluitvorming over de opdeling van de resterende inpolderingen. Er wordt geconcludeerd dat er een brede waterverbinding (de latere randmeren/IJmeer-verbinding) moet blijven bestaan tussen het IJ en het IJsselmeer, wat invloed heeft op de vorm van de polders (bijv. de keuze tussen één grote polder of de opdeling in de Markerwaard en de Flevopolders).

Historische Context

Dit document bevindt zich in het hart van de discussie over de uitvoering van de Zuiderzeewerken. Na de voltooiing van de Afsluitdijk (1932) en de Wieringermeerpolder, verschoof de aandacht naar de grotere zuidelijke polders.

  • Commissie-Lovink: Een belangrijke staatscommissie die adviseerde over de landbouwkundige en economische inrichting van de nieuwe gronden.
  • Plan-Wortman (1930): Genoemd als het oorspronkelijke uitgangspunt van de Dienst der Zuiderzeewerken (onder leiding van Hendrik Wortman), dat later werd herzien op basis van voortschrijdend inzicht over bodemgesteldheid en waterhuishouding.
  • Historisch belang: De tekst illustreert de verschuiving van puur landwinningsdenken naar een integrale benadering van watermanagement, waarbij functies als drinkwater en zoutbestrijding even zwaar gingen wegen als het creëren van nieuwe landbouwgrond. Dit leidde uiteindelijk tot het besluit om niet de gehele zuidwesthoek in te polderen, wat de Markerwaard uiteindelijk deed vervallen als volwaardige polder.

Kooplieden in dit dossier 34

Amstelmeer met Amstelmeerkanaal en Waard- en Groetkanaal
Andere hakvruchten 375000 "
Andere handels- gewassen$^2$) 9375 "
Dorpskernen en industrieterreinen
Erven van gebouwen en lustplaatsen 2,2
Boonen 87500 "
Boonen 87500 "
Groenvoeder- Gewassen - $^3)$
Kanalen, vaarten en tochten
J. Zand ( 1,3)
A. Geboorte ( 1,3)
J. Zand (16,6)
A. Geboorte (16,6)
Lichte zavel
Lichte zavel (20,8)
A. Geboorte (20,8)
N.O.polder 47600
Onbelastbare eigendommen 3,3
B. Overige 3169
B. Overige 96250 "
B. Overige 43750 "
Overige handels- gewassen 1751$^4)$
Overige knol-, Wortel- en bolgewassen 50700
Rietland, kwelders, moeras 0,1
Wieringermeerdijk en Amstelmeerdijk
Z.O.polder 93700
Alle 34 kooplieden →