Gedrukt verslag/beleidsdocument (mogelijk onderdeel van een nota van de Dienst der Zuiderzeewerken).
Origineel
Gedrukt verslag/beleidsdocument (mogelijk onderdeel van een nota van de Dienst der Zuiderzeewerken). Na 1918 (verwijzing naar de Zuiderzeewet van 1918), vermoedelijk jaren '20 of begin jaren '30 van de 20e eeuw. [Pagina 30]
zullen worden. Nu zou de vaart, welke langs Enkhuizen naar het noorden gaat, bij de oplossing met één grooten polder ongeveer 14 km korter worden dan bij de oplossing met het middenkanaal, de vaart in de richting Overijssel daarentegen ongeveer 22 km langer. Uit een algemeen scheepvaartoogpunt bezien is dus het plan met de twee zuidelijke polders zeker in het voordeel.
Het middenkanaal, dat door het diepste gedeelte van den polder loopt, biedt een gunstige gelegenheid om daarlangs gemalen te stichten. Bij het plan zonder middenkanaal is een dergelijke inrichting niet mogelijk. De randkanalen vormen een ongunstige plaats voor de gemalen, zoodat het bij het ontbreken van het middenkanaal onvermijdelijk zal zijn een belangrijk deel van het water der zuidelijke polders direct op het IJsselmeer uit te slaan. Aangezien het mogelijk zal zijn een zoodanige inrichting te maken, dat het op het middenkanaal uitgeslagen polderwater op het IJmeer gebracht kan worden en zooals hiervóór reeds is aangegeven, op deze wijze kan worden voorkomen, dat in de toekomst onder ongunstige omstandigheden het IJsselmeerwater minder geschikt zal zijn voor het inlaten in de omringende gebieden en als prise d'eau voor de drinkwatervoorziening, blijkt met het oog op de belangen van de waterhuishouding in ons land het plan met de beide zuidelijke polders de voorkeur te verdienen.
Reeds werd aangegeven, dat het met het oog op het in cultuur brengen van het nieuwe land zeer gewenscht is, geen overdadig groote oppervlakte tegelijkertijd droog te leggen. Wanneer twee polders worden gemaakt, kan aangevangen worden met den Zuidwestelijken polder, waarvan de oppervlakte van dezelfde orde van grootte zal zijn als die van den Noordoostelijken polder. Tijdens het maken van de laatstgenoemde twee polders kan meer ervaring opgedaan worden met het in cultuur brengen van groote oppervlakten gelijktijdig drooggevallen grond en kan later op grond van meer practische ervaring worden beslist, of met het oog op het in cultuur brengen de mogelijkheid zal bestaan den Zuidoostelijken polder als één geheel droog te leggen, dan wel of het noodzakelijk zal zijn, dezen nog weder tijdelijk in twee stukken te verdeelen.
De Zuiderzeewet van 1918 laat vrijheid tijdens de uitvoering te beslissen, zoowel omtrent de volgorde, bij het maken der polders in acht te nemen, als omtrent het tijdstip van uitvoering daarvan. Bij de beslissing omtrent het maken der opvolgende polders blijft dus de vrijheid bestaan rekening te houden met de oogenblikkelijke conjunctuur. In een periode als thans, waarin de mogelijkheden van uitvoe-
[Pagina 31]
ring in de toekomst moeilijk kunnen worden overzien, biedt het een voordeel, indien het aan te vangen werk niet van te grooten omvang is.
Uit het voorgaande is gebleken, dat de kostenkwestie geen overwegende beteekenis heeft bij de keuze tusschen één of twee zuidelijke polders, dat bij de tegenwoordige inzichten het op hoog peil gelegen middenkanaal geen ernstig bezwaar oplevert in vergelijking met een op polderpeil gelegen kanaal ten aanzien van de samenbinding van het nieuw te scheppen gebied, terwijl het anderzijds zekere voordeelen voor de economische ontwikkeling oplevert en dat het met het oog op de belangen van de scheepvaart, van de waterhuishouding, van het in cultuur brengen en van de mogelijkheden tot uitvoering een voordeel oplevert, wanneer twee zuidelijke polders gemaakt zullen worden. Op grond van deze overwegingen is dan ook tot deze oplossing besloten.
Algemeene vorm van de zuidelijke polders. Met het oog op de grootte, welke het IJsselmeer moet bezitten om zijn taak te kunnen vervullen en de noodzakelijkheid om den IJssel op dit meer te laten loozen, is het gedeelte van de zuidelijke kom, dat voor inpoldering in aanmerking komt, gelegen bezuiden een lijn van Enkhuizen naar den Ketelmond.
Op blad IV zijn de diepteligging van den zeebodem en de samenstelling van de toekomstige bouwvoor in dit gebied aangegeven. Daaruit blijkt, dat over het algemeen de diepte zeer gelijkmatig verloopt en derhalve geen invloed behoeft te hebben bij de keuze van de bedijking. Slechts op het Enkhuizerzand is de diepte meer wisselend.
De bodem van het overgroote gedeelte van de zuidelijke kom zal zeer waardevollen cultuurgrond opleveren (klei tot en met lichte zavel). Intusschen is bij den huidigen stand der ontginningstechniek ook kleihoudend zand zeker waard om bedijkt te worden. Hoewel uiteraard van geringere waarde, kan ook het kleiarme zand tot bruikbaar cultuurland worden, mits gelegenheid tot infiltratie bestaat.
In het algemeen kan dus worden gezegd, dat in verband met de diepte en de geaardheid van den zeebodem het geheele zuidelijk deel van het IJsselmeer voor inpoldering in aanmerking kan komen. Intusschen zal het aanbeveling verdienen om de zandstrook voor de kusten van het Gooi en de Veluwe zooveel mogelijk buiten de inpoldering te houden, teneinde het cultuurbelang van het achterliggende De tekst beschrijft de technische en economische rationale achter de keuze om het zuidelijke deel van de droog te leggen Zuiderzee op te splitsen in meerdere polders in plaats van één grote polder. De belangrijkste argumenten die worden aangevoerd zijn:
- Scheepvaart: Een indeling met twee zuidelijke polders en een middenkanaal is gunstiger voor de vaarroutes tussen Enkhuizen en Overijssel.
- Waterhuishouding: Het middenkanaal biedt een optimale locatie voor gemalen. Bovendien voorkomt de afvoer via een apart kanaal (het IJmeer) dat de waterkwaliteit van het hoofdbassin (IJsselmeer) verslechtert, wat cruciaal is voor de drinkwatervoorziening.
- Ontginning en Fasering: Er wordt gepleit voor een beheersbare schaal. Door eerst de 'Zuidwestelijken polder' (de latere Markerwaard/Flevoland-plannen) aan te pakken, kan ervaring worden opgedaan voordat men aan de rest begint.
- Bodemgesteldheid: De tekst analyseert de kwaliteit van de zeebodem (klei, zavel en kleihoudend zand) en concludeert dat het gebied zeer geschikt is voor landbouw.
- Landschappelijke overwegingen: Er wordt geadviseerd de kusten van het Gooi en de Veluwe vrij te houden van directe inpoldering om het 'cultuurbelang' (recreatie/natuurwaarde) van het oude land te beschermen. Dit document stamt uit de cruciale planningsfase van de Zuiderzeewerken, het gigantische waterbouwkundige project onder leiding van Cornelis Lely. Na de aanname van de Zuiderzeewet in 1918 moesten de exacte vormen van de polders nog worden bepaald.
De discussie over de "zuidelijke polders" heeft uiteindelijk geleid tot de realisatie van Oostelijk Flevoland (1957) en Zuidelijk Flevoland (1968). De in de tekst genoemde 'Zuidwestelijken polder' verwijst naar de plannen voor de Markerwaard, een polder die uiteindelijk nooit volledig is gerealiseerd. De zorgvuldige afweging tussen landbouwopbrengst, waterbeheer en economische conjunctuur is kenmerkend voor de ingenieursbenadering van die tijd. De genoemde "lijn van Enkhuizen naar den Ketelmond" vormt de noordelijke grens van wat wij nu kennen als de Flevopolders.