Archief 745
Inventaris 745-367
Pagina 76
Dossier 93
Jaar 1941
Stadsarchief

Gedrukte tekst, waarschijnlijk een pagina uit een officieel rapport of technisch voorstel betreffende de Zuiderzeewerken.

Origineel

Gedrukte tekst, waarschijnlijk een pagina uit een officieel rapport of technisch voorstel betreffende de Zuiderzeewerken. (Pagina 32)

land niet door sterke wateronttrekking te schaden. In verband hiermede zullen dus langs den zuidoostelijken polder een randkanaal en boezemmeren van voldoende breedte gevormd moeten worden. Met het oog op de afwatering van het aangrenzende gebied, zoomede voor het scheepvaartverkeer naar de verschillende havens (Muiden, Huizen, Spakenburg, Nijkerk, Harderwijk en Elburg) zal een doorgaande oostelijke ringvaart en de noodige waterberging toch onmisbaar zijn. Uiteraard zal hierin een scheiding tusschen IJ- en IJsselmeer moeten worden gemaakt, welke nabij Huizen is gedacht.

Ook langs de westzijde der zuidelijke polders zal in verband met de belangen van afwatering, waterinlaat en scheepvaart een randkanaal noodig zijn.

Het is aangewezen om de Gouwzee buiten de bedijking te laten, aangezien indijking van dit gebied, in verband met het toegankelijk houden der verschillende aan de kust gelegen havens voor de scheepvaart, de noodzakelijke dijkslengte, vergeleken met de meer ingedijkte gronden onevenredig zou vergrooten.

Voor de ontwikkeling van den nieuwen polder zal de landverbinding met Amsterdam van groote beteekenis zijn. Intusschen vormt het IJmeer een afscheiding en de oostelijke begrenzing van dat meer moet dus zoodanig worden gekozen, dat zoo dicht mogelijk bij de hoofdstad geschikte aansluitingspunten voor het landverkeer worden verkregen. In het zuiden kan het aansluitingspunt gevonden worden beoosten Muiderberg, dat op deze wijze als recreatieoord aan het IJmeer gelegen blijft. In het noorden is het aangewezen de oostelijke begrenzing van het IJmeer te richten op den hoek van de Nes, van waar op eenvoudige wijze aansluiting kan worden gemaakt aan de voornaamste naar Amsterdam voerende wegen.

Thans nader de noordelijke begrenzing der zuidelijke polders nagaande, moet worden opgemerkt, dat het Keteldiep vrij in het IJsselmeer moet blijven uitmonden, terwijl tusschen de dijken van den Noordoostelijken polder en den Zuidoostelijken polder een zoodanige breedte behouden moet blijven, dat bij maximalen afvoer van den IJssel en het Zwarte Water de waterstand aan den Ketelmond niet meer dan enkele cm's zal stijgen. Bovendien moet de ruimte tusschen den dijk en den zuidelijken keteldam zoo groot zijn, dat een voor de scheepvaart en afwatering voldoende verbinding tusschen het IJsselmeer en het oostelijk randkanaal kan worden gevormd. Aan deze eischen wordt voldaan, wanneer de noordelijke dijk der zuidelijke polders in het oosten wordt ontworpen op 3700 m uit den dijk van den Noordoostelijken polder. Bij een zuidelijker ligging van den dijk

32

(Pagina 33)

zou zijn totale lengte worden vergroot, terwijl gronden van goede kwaliteit buiten de bedijking zouden vallen; het oostelijk gedeelte van den noordelijken dijk moet derhalve zoo noordelijk mogelijk worden getraceerd. Aangezien het IJsselmeer anders te veel zou worden verkleind en het van belang is Enkhuizen als vrije IJsselmeerhaven te behouden, zal het westelijk deel van de noordelijke bedijking van een punt bezuiden Enkhuizen in zuidoostelijke richting moeten loopen. Na bestudeering van verschillende tracé's is dat op de teekening blad V als het gunstigste gekozen. Hierbij zal een gedeelte van het Enkhuizerzand binnen den polder vallen. De bodem bestaat hier uit kleiarm zand en voor het in cultuur brengen zal infiltratie noodzakelijk zijn. Een gedeelte van het gebied wordt echter doorsneden door enkele diepe geulen, waardoor op dit gedeelte de infiltratie practisch niet tot stand kan worden gebracht. Dit terrein zal daarom aangewezen zijn voor het vormen van een recreatieoord.

Het knikpunt in de noordelijke bedijking is tevens met het oog op de belangen van de scheepvaart het meest geschikte punt voor de uitmonding van het middenkanaal, dat, met het oog op de beperking der kosten van de langs dat kanaal gelegen dijken, aldaar bij hooge IJsselmeerstanden van dat meer afgesloten zal moeten kunnen worden. In verband met de geaardheid van den ondergrond zal de oostelijke afsluiting van het IJmeer niet in een rechte lijn tusschen Muiderberg en de Nes plaats hebben, zoodat hierin een knikpunt zal voorkomen. Dit is gekozen ter plaatse van de vaargeul van het Buiten IJ over het Pampus naar het noordoosten en is dus tevens het aangewezen zuidwestelijk eindpunt van het middenkanaal.

Het zou nu het meest voor de hand liggen om dit kanaal te traceeren volgens een rechte lijn tusschen de beide eindpunten. De kosten zijn dan minimaal, terwijl de scheepvaart geen extra omweg wordt opgelegd. Het blijkt echter voordeelen te bieden een uitbochting naar het zuidoosten te maken en wel zoodanig, dat het middenvak, vergeleken met een recht kanaal, ongeveer 3,5 km naar het zuidoosten wordt verschoven; daardoor wordt de lengte van het kanaal met ongeveer 1 km vergroot, hetgeen dus niet geacht kan worden een groot bezwaar voor de scheepvaart op te leveren. Bovendien zullen voor de zeilvaart enkele kleine richtingveranderingen op het lange kanaaltracé bij bepaalde windrichtingen een zeker gemak opleveren. Bij de gebogen richting nadert het kanaal meer het zwaartepunt van de beide polders, zoodat het hoofdverkeerscentrum, dat aan dat kanaal gelegen zal zijn, een meer centrale ligging in het in te polderen zuidelijk gebied van het IJsselmeer zal verkrijgen en

33 De tekst biedt een gedetailleerd inzicht in de besluitvormingsprocessen rondom de inrichting van de Flevopolders. Enkele opvallende punten:
* Multifunctionaliteit: Er wordt voortdurend gezocht naar een balans tussen landbouw (grondkwaliteit), watermanagement (afwatering van de Veluwe en het Gooi), scheepvaart (bereikbaarheid van oude Zuiderzeesteden) en recreatie.
* Geografische focus: De tekst beschrijft de begrenzing van het IJmeer en de aansluiting bij Amsterdam, de doorgang bij het Keteldiep (nabij de Noordoostpolder) en de haven van Enkhuizen.
* Civieltechnische afwegingen: Men spreekt over de noodzaak van randkanalen om 'wateronttrekking' (verdroging) van het oude land te voorkomen. Ook wordt de keuze voor een gebogen 'middenkanaal' (de huidige Lage of Hoge Vaart) beargumenteerd vanuit verkeerstechnisch en nautisch oogpunt (zeilvaart).
* Toekomstvisie: Er wordt reeds gesproken over een 'hoofdverkeerscentrum' in de nieuwe polders, wat we tegenwoordig als Lelystad of Almere zouden identificeren. Dit document is hoogstwaarschijnlijk een onderdeel van de plannen van de Dienst der Zuiderzeewerken, daterend uit de periode tussen 1930 en 1950. De spelling duidt op de vroege 20e eeuw, terwijl de verwijzing naar de "Noordoostelijken polder" (drooggelegd in 1942) suggereert dat dit geschreven is tijdens of kort na de realisatie daarvan, maar vóór de definitieve vormgeving van Oostelijk en Zuidelijk Flevoland. Het document illustreert de verschuiving in het denken van louter landbouwkundige winning naar een meer integrale ruimtelijke ordening, inclusief recreatiegebieden zoals bij Muiderberg en op het Enkhuizerzand. De "Markerwaard", die in deze tekst nog als een te polderen gebied wordt beschouwd (nabij Enkhuizen), is uiteindelijk nooit gerealiseerd.

Samenvatting

De tekst biedt een gedetailleerd inzicht in de besluitvormingsprocessen rondom de inrichting van de Flevopolders. Enkele opvallende punten:
* Multifunctionaliteit: Er wordt voortdurend gezocht naar een balans tussen landbouw (grondkwaliteit), watermanagement (afwatering van de Veluwe en het Gooi), scheepvaart (bereikbaarheid van oude Zuiderzeesteden) en recreatie.
* Geografische focus: De tekst beschrijft de begrenzing van het IJmeer en de aansluiting bij Amsterdam, de doorgang bij het Keteldiep (nabij de Noordoostpolder) en de haven van Enkhuizen.
* Civieltechnische afwegingen: Men spreekt over de noodzaak van randkanalen om 'wateronttrekking' (verdroging) van het oude land te voorkomen. Ook wordt de keuze voor een gebogen 'middenkanaal' (de huidige Lage of Hoge Vaart) beargumenteerd vanuit verkeerstechnisch en nautisch oogpunt (zeilvaart).
* Toekomstvisie: Er wordt reeds gesproken over een 'hoofdverkeerscentrum' in de nieuwe polders, wat we tegenwoordig als Lelystad of Almere zouden identificeren.

Historische Context

Dit document is hoogstwaarschijnlijk een onderdeel van de plannen van de Dienst der Zuiderzeewerken, daterend uit de periode tussen 1930 en 1950. De spelling duidt op de vroege 20e eeuw, terwijl de verwijzing naar de "Noordoostelijken polder" (drooggelegd in 1942) suggereert dat dit geschreven is tijdens of kort na de realisatie daarvan, maar vóór de definitieve vormgeving van Oostelijk en Zuidelijk Flevoland. Het document illustreert de verschuiving in het denken van louter landbouwkundige winning naar een meer integrale ruimtelijke ordening, inclusief recreatiegebieden zoals bij Muiderberg en op het Enkhuizerzand. De "Markerwaard", die in deze tekst nog als een te polderen gebied wordt beschouwd (nabij Enkhuizen), is uiteindelijk nooit gerealiseerd.

Kooplieden in dit dossier 34

Amstelmeer met Amstelmeerkanaal en Waard- en Groetkanaal
Andere hakvruchten 375000 "
Andere handels- gewassen$^2$) 9375 "
Dorpskernen en industrieterreinen
Erven van gebouwen en lustplaatsen 2,2
Boonen 87500 "
Boonen 87500 "
Groenvoeder- Gewassen - $^3)$
Kanalen, vaarten en tochten
J. Zand ( 1,3)
A. Geboorte ( 1,3)
J. Zand (16,6)
A. Geboorte (16,6)
Lichte zavel
Lichte zavel (20,8)
A. Geboorte (20,8)
N.O.polder 47600
Onbelastbare eigendommen 3,3
B. Overige 3169
B. Overige 96250 "
B. Overige 43750 "
Overige handels- gewassen 1751$^4)$
Overige knol-, Wortel- en bolgewassen 50700
Rietland, kwelders, moeras 0,1
Wieringermeerdijk en Amstelmeerdijk
Z.O.polder 93700
Alle 34 kooplieden →