Pagina uit een technisch rapport of boek betreffende de Zuiderzeewerken.
Origineel
Pagina uit een technisch rapport of boek betreffende de Zuiderzeewerken. [Linkerpagina, tekst]
Brengt men deze factoren bij den 47 600 ha grooten Noordoostelijken polder in rekening, dan stijgt de in 1935 berekende prijs van f 2600 per ha tot bijna f 2900 per ha en blijkt, dat de kostprijs per ha in den Zuidwestelijken polder ongeveer f 300 hooger is, alles uitgaande van den voor de raming aangenomen grondslag.
Dit resultaat komt overeen met hetgeen ramingen der inpolderingen in het IJsselmeer steeds hebben uitgewezen, nl., dat de kostprijs per ha drooggelegden grond in de beide westelijke polders hooger is dan in de oostelijke.
Nu mag echter de kostprijs van den drooggelegden grond in den Zuidwestelijken polder niet alleen op zich zelf worden beschouwd, maar deze moet ook worden bezien als onderdeel van de geheele inpoldering in het zuidelijk bekken van het IJsselmeer.
Een zeer globale schatting van de kosten per ha drooggelegden grond leerde, dat deze voor de geheele zuidelijke inpoldering op f 2835 gesteld moet worden.
Nu is reeds gebleken, dat de geaardheid der gronden in den Zuidwestelijken polder beter is dan die in den Noordoostelijken, terwijl dit nog in sterker mate geldt voor den Zuidoostelijken. Op grond hiervan kan in het algemeen worden gezegd, dat een gemiddelde kostprijs van f 2835 per ha voor de zuidelijke polders wel de vergelijking kan doorstaan met den eertijds aanvaardbaar geachten kostprijs van f 2600 per ha voor den Noordoostelijken polder.
Hoewel dus bij een uitvoering onder vooroorlogsche omstandigheden de kostprijs per ha in den Zuidwestelijken polder f 600 hooger gesteld zou moeten worden dan de prijs, welke voor den Noordoostelijken polder in 1936 als aanvaardbaar is beschouwd, dient de thans te maken polder beschouwd te worden als een onderdeel van het grootere geheel der beide zuidelijke polders en dan mag op een kostprijs worden gerekend, welke, gelet op de geaardheid van den grond, bedoelden prijs voor den Noordoostelijken polder ongeveer evenaart.
In het algemeen kan dus worden gezegd, dat blijkens de gegeven becijferingen de economie der zuidelijke polders, afgezien van de huidige abnormale omstandigheden, op een overeenkomstige basis kan worden gesteld als die van den Noordoostelijken polder.
44
[Rechterpagina, kaarttitels en legenda]
OVERZICHT VAN DE PLANNEN TOT INPOLDERING VAN HET ZUIDELIJK GEDEELTE VAN HET IJSSELMEER.
SCHAAL 1:600.000
BLAD III
Legenda:
—— dijken en kaden
======== boezemkanaal
===== polder " " [bedoeld als: idem]
■ schut- of keersluis
Labels bij de deelkaarten:
LEEMANS 1877
LELY-STAATSCOMMISSIE 1892
MUSSERT 1921
WORTMAN 1922
UITGEWERKT ONTWERP 1924
ALGEMEEN PLAN 1941 * Inhoud: De tekst analyseert de economische haalbaarheid van de toekomstige zuidelijke polders (de huidige Flevopolders en de nooit voltooide Markerwaard) in vergelijking met de Noordoostpolder. Er wordt beargumenteerd dat, hoewel de aanlegkosten per hectare hoger liggen, de betere grondkwaliteit en de schaal van het gehele zuidelijke project de investering rechtvaardigen.
* Taalgebruik: Het document is geschreven in een formele, ambtelijke stijl met de toenmalige spelling (bijv. "Noordoostelijken", "vooroorlogsche").
* Visuele informatie: De rechterpagina toont zes historische ontwerpen voor de inpoldering. Dit biedt een visueel overzicht van de evolutie van het waterbouwkundig denken tussen 1877 en 1941. Opvallend is het plan van Mussert uit 1921, die voordat hij politiek actief werd een gerespecteerd ingenieur bij Rijkswaterstaat was. Dit document maakt deel uit van de uitgebreide archieven over de Zuiderzeewerken. De discussie over de kosten en baten van nieuwe polders was cruciaal, zeker in tijden van economische onzekerheid. De referentie naar "abnormale omstandigheden" duidt op de economische verstoringen tijdens de Duitse bezetting van Nederland. Het "Algemeen Plan 1941" vormde de blauwdruk voor de uiteindelijke realisatie van Oostelijk en Zuidelijk Flevoland in de decennia na de oorlog.