Notulen/Verslag van een vergadering (waarschijnlijk een commissievergadering betreffende Publieke Werken).
Origineel
Notulen/Verslag van een vergadering (waarschijnlijk een commissievergadering betreffende Publieke Werken). Ongedateerd (op basis van de context: jaren '30 of vroege jaren '40 van de 20e eeuw). -2-
- Nota van de Subcommissie voor de Scheepvaartbelangen in zake de scheepvaartbelangen, welke voor Amsterdam betrokken zyn by het tot stand komen van de Zuidelyke polders.
De VOORZITTER zegt, dat de Subcommissie voor de Scheepvaartbelangen met voortvarendheid en groote deskundigheid heeft gearbeid. Na de bestudeering van de notulen dezer Commissie is spreker tot de conclusie gekomen, dat de nota een duidelyke uiteenzetting is geworden van alle gebleken wenschen en verwachte bezwaren. Zy is door een zekere bondigheid goed leesbaar gebleven. Den samenstellers van de nota komt een woord van dank toe. Met voldoening heeft spreker gelezen datgene wat in de nota gezegd wordt over de wyziging van de waterhuishouding in het Afgesloten Y en het Noordzeekanaal en in het byzonder, dat de verwerklyking van het door den Dienst der Zuiderzeewerken opgemaakte plan voor de Zuidelyke inpoldering van het Ysselmeer ingrypende gevolgen zou hebben voor de waterhuishouding van het Amsterdamsche havengebied en van het Noordzeekanaal. Het is ook sprekers meening, dat met niet genoeg nadruk gewezen kan worden op de bezwaren voor de groote vaart, wanneer by spuien door het Noordzeekanaal de toekomstige stroomsnelheid de tegenwoordige in belangryke mate zou gaan overtreffen. Het bestaan en de bloei van de Amsterdamsche havens staan hierby op het spel. De inhoud van deze nota zal de Directie van de Zuiderzeewerken ongetwyfeld tot ernstige overweging der daarin behandelde vraagstukken aanleiding geven. Spreker vraagt aan den Voorzitter van de Subcommissie voor de Scheepvaartbelangen, den heer Boogerd, of deze het nog noodig vindt de nota toe te lichten.
De heer BOOGERD dankt den Voorzitter voor de woorden, gewyd aan het werk der Subcommissie voor de Scheepvaartbelangen. Naar sprekers meening behoeft de nota geen nadere toelichting, daar de inhoud voor zichzelf spreekt. Het laatste punt der nota, waarin de waterhuishouding van het Afgesloten Y en het Noordzeekanaal wordt behandeld, is wel het belangrykste gedeelte. Als het plan van de Directie der Zuiderzeewerken om het water uit de Zuidelyke polders en uit het Ymeer uit te slaan op het Noordzeekanaal, wordt uitgevoerd, zal de voor de scheepvaart reeds thans hinderlyke spuistroom op het Noordzeekanaal èn in snelheid èn in frequentie toenemen, hetgeen voor de Amsterdamsche havens ernstige gevolgen met zich kan brengen.
Spreker heeft in het aan de leden toegezonden Algemeen Plan voor den Zuidwestelyken Polder nog eens nagelezen wat de heer De Blocq van Kuffeler daarin heeft geschreven over het maken van het middenkanaal. Voor de scheepvaart van Amsterdam naar Enkhuizen is de weg langs het middenkanaal slechts weinig korter dan die langs het aanvankelyk geprojecteerde randkanaal naar Enkhuizen. Voor het maken van dit middenkanaal en het doen vervallen van het randkanaal is naar sprekers meening evident de wensch om het zoute water uit de Zuidelyke polders niet naar het Ysselmeer af te voeren. Spreker vreest, dat de beschouwingen van de Subcommissie wel niet alle by den heer De Blocq van Kuffeler in goede aarde zullen vallen.
De VOORZITTER zegt het eens te zyn met den heer Boogerd daar er een sterke tegenspraak bestaat tusschen de nota der Subcommissie en het Algemeen Plan voor den Zuidwestelyken polder over den afvoer van het zoute water. Spreker vraagt zich af of hier geen compromis mogelyk is.
De heer BIEMOND merkt op, dat wanneer de Zuidelyke polders het zoute water zouden moeten uitslaan op het Ysselmeer, het zoutgehalte van het water in laatstbedoeld meer zeker te hoog zou worden om daarvan een prise d'eau voor de drinkwatervoorziening te maken. Het is dan ook moeilyk te zeggen of in deze kwestie een compromis mogelyk zou zyn.
De heer LULOFS wyst erop, dat de verzoeting van het Ysselmeerwater ook van belang is voor den landbouw. Toen vroeger het zoute Zuiderzeewater moest worden ingelaten in den Frieschen boezem ging de melkproductie in die provincie achteruit. Reeds daarom acht spreker een zoetwatermeer in het midden des lands van groot belang.
De heer BIEMOND zegt, dat de situatie vroeger zoo was, dat het in den Frieschen boezem ingelaten Zuiderzeewater een chloorgehalte had van 6000 mg/liter. Uit onderzoekingen is gebleken, dat water met een chloorgehalte grooter dan 600 mg/l bezwaar medebrengt voor het vee. Wordt al het water van de Zuidelyke polders op het Ysselmeer uitgeslagen, dan zal het chloorgehalte van dat water ongeveer 280 mg/l bedragen. Voor de veeteelt is dit water dan geen bezwaar meer. De fyne
Dienst P.W.
Amsterdam. * Kernproblematiek: De discussie draait om de spanning tussen drie grote belangen bij de aanleg van de Zuidelijke polders (Flevoland):
1. Scheepvaart: Men vreest dat het lozen van polderwater via het Noordzeekanaal de stroomsnelheid te hoog maakt voor grote zeeschepen.
2. Drinkwatervoorziening: Amsterdam wil het IJsselmeer als zoetwaterreserve gebruiken (prise d'eau), wat onmogelijk wordt als er te veel zout polderwater in het IJsselmeer wordt geloosd.
3. Landbouw: De noodzaak van een zoet IJsselmeer voor de veeteelt (voorkomen van melkproductiedaling door te hoog chloorgehalte).
* Technische details: Er wordt gesproken over chloorgehaltes (zoutconcentraties). Een waarde van 600 mg/l wordt als grens voor vee genoemd; lozing uit de polders zou leiden tot ongeveer 280 mg/l, wat acceptabel wordt geacht voor koeien, maar mogelijk niet voor drinkwater.
* Verschil van inzicht: Er is een duidelijk conflict tussen de plannen van de 'Dienst der Zuiderzeewerken' (onder leiding van de invloedrijke ingenieur De Blocq van Kuffeler) en de belangen van de stad Amsterdam (vertegenwoordigd door de Dienst Publieke Werken). Dit document bevindt zich in de cruciale fase van de Zuiderzeewerken. Na de voltooiing van de Afsluitdijk (1932) werd het IJsselmeer zoet. De volgende stap was de inpoldering van de zuidelijke delen. De discussie over de "Zuidelyke polders" (later de Noordoostpolder, Oostelijk en Zuidelijk Flevoland) was complex omdat het IJsselmeer niet alleen landbouwgrond moest opleveren, maar ook de watervoorraad van Nederland en de toegang tot de haven van Amsterdam fundamenteel veranderde.
De genoemde heer De Blocq van Kuffeler was een van de belangrijkste ingenieurs van de Zuiderzeewerken en een directe opvolger van Cornelis Lely. De heer Biemond is vermoedelijk Cornelis Biemond, de latere directeur van het Amsterdamse Waterleidingbedrijf, die internationaal bekend stond als expert op het gebied van waterzuivering en verzilting. De spanning tussen de nationale plannen voor landaanwinning en de lokale belangen van Amsterdam (haven en drinkwater) is in deze notulen tastbaar aanwezig.