Getypt rapport / statistisch overzicht (Pagina -10-).
Origineel
Getypt rapport / statistisch overzicht (Pagina -10-). Vermoedelijk circa 1941-1942 (gezien de referentie naar cijfers van 1940 en het nog niet verschijnen van statistieken over 1940). -10-
ladingscoëfficiënten bij niet te slechte conjunctuur:
voor beurtschepen 30 à 50% gem. 40%;
voor wilde-vaartschepen:
heenreis 60 à 100% gem. 80%)
terugreis 0 à 50% gem. 25%) gem. 52½%.
Op den grondslag van deze coëfficiënten kan de beurtvaart op
250000 ton laadvermogen in elk der beide vervoersrichtingen berekend
worden; uiteraard zal dit scheepvaart-accres voor een deel door de be-
staande beurtvaartondernemingen op het IJsselmeer worden opgevangen.
In de wilde vaart zullen volgens onze schatting 1570000 ton goe-
deren worden af- en 250000 ton goederen worden aangevoerd. Tusschen
beide vervoersrichtingen bestaat allerminst evenwicht en alleen in
buitenwaartsche richting zullen de schepen goed beladen zijn. Van
Ramaer's coëfficienten gebruikmakende, kan de voor den afvoer gebezig-
de schepstonnage berekend worden op (1570000) : $^{80}/_{100} = \pm 2000000$ ton.
Zouden deze zelfde schepen den aanvoer van 250000 ton verzorgen,
dan zouden zij nog slechts voor één achtste van hun laadvermogen bela-
den zijn; niettemin is het de vraag of voor het "vuile" deel van den
aanvoer, dus voor brandstoffen, baksteenen, enz. niet andere schepen
zullen moeten worden gebezigd. In ieder geval is de schatting van een
wilde vaart ter grootte van 2000000 ton laadvermogen in beide vervoers-
richtingen aan den matigen kant. Beurtvaart en wilde vaart samentel-
lende, komen wij derhalve tot een scheepvaart van 2250000 schepston
in één richting en van 4500000 schepston in beide richtingen.
Deze uitkomst kan worden vergeleken met de bekende scheepvaart-
cijfers van de Wieringermeer. Volgens de Driemaandelijksche Berichten
betreffende de Zuiderzeewerken bedroeg de scheepvaart door de rand-
sluizen van dezen in 1930 drooggevallen polder:
| jaar | aantal schepen | tonnen laadvermogen |
| :--- | :------------- | :------------------ |
| 1932 | 12989 | 693500 |
| 1933 | 7656 | 493100 |
| 1934 | 6170 | 414800 |
| 1935 | 6225 | 466600 |
| 1936 | 7488 | 557000 |
| 1937 | 8492 | 580300 |
| 1938 | 9710 | 734900 |
| 1939 | 9842 | 769400 |
| 1940 | 9115 | 691500 |
Betreffende het verkeer langs dezelfde telpunten vindt men nog
cijfers in de door het Centraal Bureau voor de Statistiek samengestel-
de Statistiek van de scheepvaartbeweging in Nederland. En deze cijfers
zijn voor de jaren 1938 en 1939 lager (de statistiek over 1940 is nog
niet verschenen) vooral wat het aantal schepen betreft:
| jaar | aantal schepen | tonnen laadvermogen |
| :--- | :------------- | :------------------ |
| 1938 | 7611 | 697000 |
| 1939 | -6869 | 726700 |
Terwijl de Zuiderzeewerken namelijk alle schepen telden, liet het
Centraal Bureau buiten beschouwing: schepen beneden 10 ton laadvermo-
gen, baggermateriaal, pleziervaartuigen, roeibooten, Rijksvaartuigen,
visschersvaartuigen en woonschepen. Met andere woorden, het Centraal
Bureau telde uitsluitend de voor goederenvervoer gebezigde schepen; uit
een vergelijking van de uit beide bronnen afkomstige cijferreeksen
blijkt, dat men om de totale scheepvaart te kennen, goed doet, de op
het goederenvervoer betrekking hebbende cijfers aangaande het laadver-
mogen met 5% te verhoogen.
Voor de Zuidelijke Zuiderzeepolders berekenden wij op basis van
het goederenvervoer de scheepvaart op 4500000 ton laadvermogen; het
totaal van de in- en uitgaande scheepvaart moet blijkens het voorgaan-
de 5% hooger, dus op 4725000 ton laadvermogen gesteld worden.
Men kan deze uitkomst vergelijken met de scheepvaart van de Wie-
ringermeer, die zich in de laatste jaren om de 700000 ton bewoog (in
het topjaar 1939 zelfs 770000 ton bedroeg). De Zuidelijke polders zijn
met een oppervlakte van 150000 ha 7½ maal zoo groot als de Wieringer-
meer, waarvan de uitgestrektheid 20000 ha bedraagt. De scheepvaart,
evenredig aan de oppervlakte der betrokken gebieden stellende, komt
Schr.P.W.Asd. * Inhoudelijke focus: Het document bevat een gedetailleerde berekening van de verwachte scheepvaartintensiteit voor de nog aan te leggen of te ontwikkelen Zuidelijke Zuiderzeepolders (zoals de huidige Flevopolders).
* Methodiek: De auteur hanteert "ladingscoëfficiënten" (de mate waarin een schip beladen is) om de totale benodigde tonnage te berekenen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de "beurtvaart" (lijndiensten) en de "wilde vaart" (chartervaart/onregelmatig vervoer).
* Statistische discrepantie: Een interessant aspect is de vergelijking tussen de cijfers van de "Driemaandelijksche Berichten betreffende de Zuiderzeewerken" en het "Centraal Bureau voor de Statistiek" (CBS). De auteur merkt op dat het CBS lagere getallen rapporteert omdat zij kleine vaartuigen, baggermateriaal en niet-commerciële vaartuigen uitsluiten. Er wordt een correctiefactor van 5% voorgesteld om van puur goederenvervoer naar de totale scheepvaartbeweging te extrapoleren.
* Terminologie: Gebruik van verouderde spelling ("baksteenen", "tonnage") en specifieke maritieme termen zoals "accres" (toename/aanwas) en "schepston". Dit document maakt deel uit van de uitgebreide planning en sociaal-economische onderbouwing van de Zuiderzeewerken. In de vroege jaren '40, tijdens de bezettingsjaren, werd er ondanks de oorlogssituatie door de Dienst der Zuiderzeewerken en aanverwante instanties hard gewerkt aan de toekomstplannen voor de inpoldering.
De vergelijking met de Wieringermeer (drooggevallen in 1930) diende als "proof of concept" of referentiekader. De ramingen moesten overheden en planners helpen bij het bepalen van de benodigde capaciteit van sluizen en kanalen in de nieuwe polders. De referentie "Schr.P.W.Asd." wijst waarschijnlijk op een ambtelijk schrijven of rapport afkomstig uit Amsterdam (Asd.), mogelijk van een ingenieur of econoom die betrokken was bij de waterbouwkundige planning.