Getypt rapport/beleidsstuk betreffende landbouwplanning.
Origineel
Getypt rapport/beleidsstuk betreffende landbouwplanning. --17--
Bouwplan II
31250 ha tarwe à 200 manuren/ha 6250000 manuren;
10000 " haver à 200 idem 2000000 " ;
13750 " gerst, rogge, enz. à 200 idem 2750000 " ;
12500 " erwten, boonen à 275 idem 3437500 " ;
7500 " vlas (ger.) à 600 idem 4500000 " ;
5000 " handelsgewassen à 250 idem 1250000 " ;
12500 " suikerbieten à 525 idem 6562500 " ;
16250 " aardappelen à 1000 idem 16250000 " ;
7500 " andere hakvruchten à 500 idem 3750000 " ;
8750 " groenvoeder à 250 idem 2187500 " ;
10000 " grasland à 250 idem 2500000 " ;
rechtstreeksche werkzaamheden aan de ver-
schillende gewassen: 51437500 manuren.
Om van de rechtstreeksche tot de totale arbeidsbehoefte te komen, moeten nog twee posten in rekening worden gebracht, te weten de aan algemeene bedrijfswerkzaamheden (grondbewerking, kunstmeststrooien, onderhoud van gebouwen en werktuigen) bestede arbeidsuren en voorts de tijd, die benoodigd is voor toezicht en leiding der werkzaamheden, voor de boekhouding, den in- en verkoop, enz.; immers, de arbeidscoëfficiënten betreffen alleen den aan bepaalde gewassen besteden handarbeid.
Volgens gegevens, die ons werden verstrekt door den heer Godefroy en die berusten op waarnemingen, zoowel in Groningen als in de Wieringermeer, kan voor algemeene bedrijfswerkzaamheden op kleibouwboerderijen gerekend worden op 120 manuren per ha per jaar. Dit cijfer vormt een gemiddelde voor gunstige en ongunstige jaren; wanneer de oogst bijzonder veel werk vereischt, wordt op de algemeene werkzaamheden bezuinigd, terwijl bij vlot verloop van den oogst het omgekeerde het geval is. Voor 135000 ha cultuurgrond komt dus op de boven berekende cijfers een toeslag van 16200000 manuren; wij komen dan tot resp. 57293750 en 67637500 manuren. Den toeslag voor den leidenden arbeid zullen wij berekenen nadat wij eerst de manuren tot manjaren herleid hebben. Godefroy stelt een manjaar gelijk aan 3000, Vondeling aan 2500 manuren; laatstgenoemde vermeldt, dat in de Wieringermeer een manjaar voor vaste landarbeiders momenteel ongeveer 2700 manuren omvat; het gemiddelde arbeidsjaar voor de gezamenlijke arbeidskrachten wordt gedrukt door de winterwerkloosheid der losvaste en losse arbeiders, terwijl in de toekomst op een zekere beperking van den arbeidstijd valt te rekenen.
Ten einde de toekomstige bevolking in geen geval te onderschatten, zullen wij ons op Vondeling's cijfers baseeren en komen dan voor bouwplan I tot een schatting van 22918 manjaren en voor bouwplan II tot een schatting van 27055 manjaren. Zooals gezegd, betreffen deze cijfers den handenarbeid en moeten hier de administratieve en de leidende arbeid van de bedrijfshoofden bijgeteld worden; voor zoover echter de bedrijfshoofden zelf handenarbeid verrichten, zijn de aldus gemaakte arbeidsuren in de genoemde cijfers begrepen.
De raming van den leidenden arbeid houdt verband met de in de polders toe te passen bedrijfsgrootte. Op een klein bedrijf besteedt de boer slechts een deel van zijn tijd aan leiding, administratie, marktbezoek, enz. Boven een zekere grens echter, die bij akkerbouwbedrijven op ongeveer 40 ha gesteld kan worden, neemt de boer, tenzij hij jong en heel sterk is, aan de uitvoering vrijwel geen deel meer en moet zich geheel aan de leiding wijden. Voor onze raming nemen wij aan, dat in de Zuidelijke polders 1/3 van de bedrijven kleinbedrijf zal zijn met een gemiddelde grootte van 12 ha, dat 1/3 van de bedrijven middenbedrijven zal zijn ter gemiddelde grootte van 24 ha en dat 1/3 van de bedrijven een gemiddelde oppervlakte van 48 ha zal beslaan. Wij rekenen, dat het bedrijfshoofd op eerstgenoemde bedrijven 1/3 van zijn tijd, op de middenbedrijven 2/3 van zijn tijd en op de groep der grootste bedrijven zijn geheelen tijd aan anderen dan handenarbeid zal besteden.
De eerste veronderstelling knoopt aan bij een verkaveling in kavels van 300 bij 800 m, zooals in den Noordoostpolder toegepast wordt, en houdt voorts in, dat een aantal van deze kavels in tweëen gesplitst zou worden ten einde de totstandkoming van kleine boerenbedrijven te bevorderen. In deze veronderstelling zou de gemiddelde bedrijfsgrootte (12 + 24 + 48) : 3 = 28 ha bedragen tegenover 36 ha in de Wieringermeer, waar echter in de laatste jaren enkele groote bedrijven gesplitst werden en dus het gemiddelde iets lager kwam te liggen. In den Noordoostpolder zullen op ± 43000 ha cultuurgrond naar de thans bekende plannen 1600 à 1800 boerderijen tot stand komen, hetgeen uitkomt op * Arbeidskwantificering: Het document toont een zeer gedetailleerde, bijna wiskundige benadering van landbouwplanning. Arbeid wordt uitgedrukt in "manuren per hectare" per gewas. Aardappelen blijken het meest arbeidsintensief (1000 uur/ha), terwijl grasland en granen onderaan de lijst staan (200-250 uur/ha).
* Bedrijfsvoering: Er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen handarbeid (direct aan het gewas), algemene werkzaamheden (onderhoud) en leidende arbeid (management/administratie).
* Sociaal-economische visie: De tekst reflecteert het beleid om de polders niet alleen als landbouwgrond te zien, maar ook als sociaal project. Men streeft naar een verdeling van kleine, middelgrote en grote bedrijven om de bevolkingsdichtheid en de sociale structuur te sturen.
* Modernisering: De discussie over de "manjaren" (variërend van 2500 tot 3000 uur) en de vermelding van toekomstige beperking van de arbeidstijd wijst op een overgangsperiode naar modernere arbeidsvoorwaarden in de landbouw. Dit document is onderdeel van de voorbereidingen voor de inrichting van de IJsselmeerpolders, specifiek de Noordoostpolder en de geplande Zuidelijke Polders (Flevoland). In deze periode (tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog) werd de inrichting van de polders door de Directie van de Wieringermeer tot in de kleinste details gepland.
De genoemde Anne Vondeling (1916-1979) was een landbouwkundige die in 1948 promoveerde op een proefschrift over de arbeidsbehoefte in de landbouw, specifiek gericht op de Noordoostpolder. Hij werd later een prominent PvdA-politicus. Het feit dat zijn cijfers hier als basis dienen, suggereert dat dit document een concept of rapport is uit de periode rond 1945-1948. De genoemde kavelmaat van 300 bij 800 meter is de standaardmaat geworden die de Noordoostpolder zijn karakteristieke strakke uiterlijk heeft gegeven.