Archief 745
Inventaris 745-367
Pagina 128
Dossier 5
Jaar 1941
Stadsarchief

Archiefdocument

Origineel

-18-

25 à 27 ha gemiddeld per bedrijf.

De tweede veronderstelling doet de arbeidskosten van de leiding iets zwaarder drukken op de kleine dan op de groote bedrijven. Dit is zeer goed te verantwoorden, vooral nu er in de voorgaande berekeningen geen acht op werd gegeven, dat in het algemeen de arbeidsbehoefte van op kleine bedrijven geteelde gewassen grooter is dan de overeenkomstige behoefte op groote bedrijven^1).

De leidende arbeid wordt nu als volgt berekend:

1650 bedrijven van 12 ha: 19800 ha 550 manjaar;
1650 " " 24 ha: 39600 " 1100 " ;
1650 " " 48 ha: 79200 " 1650 " ;
138600 ha 3300 manjaar.

Samen met den voor bouwplan I reeds berekenden uitvoerenden arbeid ter grootte van 22918 manjaar, komen wij voor dit bouwplan tot 26218 manjaar en voor bouwplan II met 27055 manjaar aan uitvoerenden arbeid tot een totaal van 30355 manjaar.

Wil men nu de agrarische beroepsbevolking in de Zuidelijke polders afleiden uit de berekende arbeidsbehoefte, dan moet men overwegen, dat de agrarische beroepsarbeid, behalve door de bedrijfshoofden en hun vaste arbeiders, uitgeoefend zal worden door losvaste arbeiders, die gedurende een groot deel van het jaar bij denzelfden boer werkzaam zijn en door de eigenlijke losse, dat zijn de seizoenarbeiders. Volgens de gegevens van de bureau’s voor landbouwboekhouding, zooals die o.a. verwerkt worden in de verslagen betreffende den economischen toestand van den landbouw, wordt in de kleibouwstreken gemiddeld f.120.- per ha aan arbeidsloon uitgegeven. Nu maakt een arbeider gemiddeld een jaarloon van f. 1.200.-, zoodat op een bedrijf van 20 ha blijkbaar naast den vasten uitwonenden arbeider of inwonenden knecht nog voor een tweeden arbeider plaats is. Voor deze is echter niet een geheel jaar werk, maar in den oogsttijd (6 à 7 weken) worden 7 à 8 arbeiders van buiten aangenomen, die te zamen ook ongeveer 52 manweken maken. M.a.w. de berekende arbeidsbehoefte is niet gelijkmatig over het jaar verdeeld, doch vertoont een kuil in den winter en een top in den zomer en in deze toparbeidsbehoefte wordt goeddeels voorzien door tewerkstelling van losse arbeiders uit andere streken, waar de topbehoefte ontbreekt of een ander karakter heeft. Uit dezen hoofde vermindert Vondeling, waar hij de gevestigde bevolking in den Noordoostpolder berekent, de arbeidsbehoefte met 1/5^2), terwijl Godefroy zelfs werkt met een aftrek van 2/5^3).

Wij geven er de voorkeur aan, den aftrek niet te groot te nemen; en wel omdat de door vreemde arbeidskrachten in den oogsttijd gewerkte arbeidsuren voor een goed deel gecompenseerd worden door de werkloosheidsweken van in den polder gevestigde landarbeiders in den winter. Het komt ons voor, dat de invloed van de winterwerkloosheid niet ten volle tot uitdrukking is gebracht in de boven (op blz. 17) behandelde raming van het aantal arbeidsuren in een arbeidsjaar.

Op de berekende arbeidsbehoefte van 26218 resp. 30355 manjaar passen wij dus ter berekening van het aantal personen-in-agrarisch-beroep een aftrek van 1/5 toe, zoodat wij dit aantal stellen op resp. 21000 en 24300. Uit deze getallen kan de totale bevolking worden afgeleid aan de hand van de desbetreffende verhoudingen in bestaande landbouwstreken. In onderstaand staatje worden de cijfers gegeven voor de vier streken van blz. 17, alsmede voor de Wieringermeer.

Toestand op 31 Dec. 1930^4) Noordelijke bouwstreek in Groningen Kleibouwstreek in Friesland Hoeksche Waard Zuidbeveland Wieringermeer^5)
aantal inwoners 46426 64081 36753 41609 4350
aantal bewoonde woningen 11783 16892 8789 9915 889^6)

1) Vondeling t.a.p. blz. 24 .
2) Vondeling t.a.p. blz. 30 .
3) Godefroy t.a.p. blz. 16 .
4) Wieringermeer 31 December 1939.
5) bron: Statistiek van de Wieringermeerbevolking, publicatie van de Stichting voor het Bevolkingsonderzoek in de drooggelegde Zuiderzeepolders, samengesteld door Dr. J.H. van Zanten.
6) op 1 Januari 1938 bedroeg bij 3375 inwoners het aantal gezinnen 690; dit getal werd verhoogd in evenredigheid tot de bevolkingstoename.

Schr.P.W.Asd. Dit document vormt een technisch-economische onderbouwing voor de ruimtelijke ordening van de IJsselmeerpolders. De kern van het betoog is het kwantificeren van de benodigde menskracht (manjaren) om de nieuwe landbouwgronden te exploiteren.

  • Arbeidscalculatie: Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de "leidende arbeid" (het beheer/de boer) en de "uitvoerende arbeid". Opvallend is de methodiek waarbij de arbeidsbehoefte per hectare wordt teruggestuurd naar een aantal benodigde "manjaren".
  • Seizoensinvloeden: De tekst erkent een klassiek landbouwprobleem: de enorme piekbelasting tijdens de oogst versus de "kuil" (werkloosheid) in de winter. De auteurs discussiëren over de mate waarin seizoensarbeiders van buiten de polder moeten worden aangetrokken versus het huisvesten van een vaste kern.
  • Demografische extrapolatie: Door de arbeidsbehoefte te corrigeren (met een factor 1/5) en te vergelijken met bestaande landbouwgebieden (Groningen, Friesland, Zeeland), probeert men te voorspellen hoeveel woningen en inwoners de nieuwe polders uiteindelijk zullen tellen.
  • Wetenschappelijke verantwoording: Er wordt verwezen naar vooraanstaande onderzoekers uit die tijd, zoals Vondeling en Godefroy, wat duidt op een gedegen planologische aanpak. Dit blad is afkomstig uit een rapportage van de Dienst der Zuiderzeewerken of een aanverwante planningsinstantie. De context is de kolonisatie van de Noordoostpolder (drooggevallen in 1942) en de voorbereiding op de Zuidelijke Polders (Flevoland).

De genoemde namen zijn historisch relevant:
* Anne Vondeling: De latere politicus (PvdA), die in 1948 promoveerde op een proefschrift over de bevolkingsvestiging in de Noordoostpolder. Dit document citeert waarschijnlijk uit zijn vroege sociaal-economische werk.
* Wieringermeer: Dit was de 'proefpolder' (1930). De gegevens van de Wieringermeer (zoals de bron van Dr. J.H. van Zanten) dienden als blauwdruk voor wat men in de grotere polders kon verwachten.
* Ruimtelijke ordening: Het document illustreert de "maakbaarheidsgedachte" van de naoorlogse periode: de samenleving werd tot op de persoon en de woning nauwkeurig uitgerekend op basis van economische rendementsmodellen.

Samenvatting

Dit document vormt een technisch-economische onderbouwing voor de ruimtelijke ordening van de IJsselmeerpolders. De kern van het betoog is het kwantificeren van de benodigde menskracht (manjaren) om de nieuwe landbouwgronden te exploiteren.

  • Arbeidscalculatie: Er wordt een onderscheid gemaakt tussen de "leidende arbeid" (het beheer/de boer) en de "uitvoerende arbeid". Opvallend is de methodiek waarbij de arbeidsbehoefte per hectare wordt teruggestuurd naar een aantal benodigde "manjaren".
  • Seizoensinvloeden: De tekst erkent een klassiek landbouwprobleem: de enorme piekbelasting tijdens de oogst versus de "kuil" (werkloosheid) in de winter. De auteurs discussiëren over de mate waarin seizoensarbeiders van buiten de polder moeten worden aangetrokken versus het huisvesten van een vaste kern.
  • Demografische extrapolatie: Door de arbeidsbehoefte te corrigeren (met een factor 1/5) en te vergelijken met bestaande landbouwgebieden (Groningen, Friesland, Zeeland), probeert men te voorspellen hoeveel woningen en inwoners de nieuwe polders uiteindelijk zullen tellen.
  • Wetenschappelijke verantwoording: Er wordt verwezen naar vooraanstaande onderzoekers uit die tijd, zoals Vondeling en Godefroy, wat duidt op een gedegen planologische aanpak.

Historische Context

Dit blad is afkomstig uit een rapportage van de Dienst der Zuiderzeewerken of een aanverwante planningsinstantie. De context is de kolonisatie van de Noordoostpolder (drooggevallen in 1942) en de voorbereiding op de Zuidelijke Polders (Flevoland).

De genoemde namen zijn historisch relevant:
* Anne Vondeling: De latere politicus (PvdA), die in 1948 promoveerde op een proefschrift over de bevolkingsvestiging in de Noordoostpolder. Dit document citeert waarschijnlijk uit zijn vroege sociaal-economische werk.
* Wieringermeer: Dit was de 'proefpolder' (1930). De gegevens van de Wieringermeer (zoals de bron van Dr. J.H. van Zanten) dienden als blauwdruk voor wat men in de grotere polders kon verwachten.
* Ruimtelijke ordening: Het document illustreert de "maakbaarheidsgedachte" van de naoorlogse periode: de samenleving werd tot op de persoon en de woning nauwkeurig uitgerekend op basis van economische rendementsmodellen.

Kooplieden in dit dossier 34

Amstelmeer met Amstelmeerkanaal en Waard- en Groetkanaal
Andere hakvruchten 375000 "
Andere handels- gewassen$^2$) 9375 "
Dorpskernen en industrieterreinen
Erven van gebouwen en lustplaatsen 2,2
Boonen 87500 "
Boonen 87500 "
Groenvoeder- Gewassen - $^3)$
Kanalen, vaarten en tochten
J. Zand ( 1,3)
A. Geboorte ( 1,3)
J. Zand (16,6)
A. Geboorte (16,6)
Lichte zavel
Lichte zavel (20,8)
A. Geboorte (20,8)
N.O.polder 47600
Onbelastbare eigendommen 3,3
B. Overige 3169
B. Overige 96250 "
B. Overige 43750 "
Overige handels- gewassen 1751$^4)$
Overige knol-, Wortel- en bolgewassen 50700
Rietland, kwelders, moeras 0,1
Wieringermeerdijk en Amstelmeerdijk
Z.O.polder 93700
Alle 34 kooplieden →