Getypte notulen/verslag (pagina 6).
Origineel
Getypte notulen/verslag (pagina 6). -6-
zyn, den ooftbouw uit te breiden.
De heer VAN STEEN zegt, dat in de Wieringermeer een proef-
tuin is aangelegd van vruchtboomen, waarbij groote bezwaren wor-
den ondervonden in verband met den wind. De tuin werd nl. opge-
richt op een boomlooze vlakte, zoodat de wind met de vruchtboo-
men vry spel had, waardoor de vruchten van de boomen waaiden, voor-
dat ze ryp waren. Men is toen overgegaan tot het aanbrengen van
een beplanting, die ten doel had den wind te breken.
De heer SIXMA vestigt er de aandacht op, dat bloeiende boom-
gaarden in het voorjaar veel bezoekers uit de groote steden trek-
ken.
De heer HOOY wyst op de mogelykheid van het aanbrengen van
windsingels, waardoor de ooftbouw wordt bevorderd.
De heer VAN STEEN zegt, dat de windsingels inderdaad zouden
kunnen worden toegepast. In de Wieringermeer vindt men ook nog een
groote bloembollenteelt. Dit is een gevolg van de omstandigheid,
dat zich in de Wieringermeer kweekers hebben gevestigd met eigen
bloembolsoorten, waarvan zy moeilyk afstand willen doen.
Voor kassen met verwarming of bodemverwarming acht spreker
den kleigrond in de Zuidelyke polders te zwaar en te moeilyk te
bewerken.
Omtrent punt D, landbouwindustrieën zegt spreker dat de te
verbouwen aardappelen te goed zullen zyn om te worden verwerkt
in aardappelmeelfabrieken, zoodat dit soort fabrieken wel niet in
de polders zal worden opgericht. De hoeveelheid te verbouwen sui-
kerbieten zal ruim voldoende zyn voor het oprichten van een sui-
kerfabriek. Waar deze fabriek gevestigd zal worden, zal een kwes-
tie van vervoer zyn. In den N.O.polder bv. wordt ook een voldoende
hoeveelheid bieten verbouwd voor een suikerfabriek. De pulp van
de suikerbiet wordt veelal gebruikt voor veevoer. De hoeveelheid
stroo zal groot genoeg zyn om meerdere stroocartonfabrieken van
de noodige grondstoffen te voorzien. In Arnhem is een stroocel-
lulosefabriek in oprichting. Deze fabriek zal wellicht een goede
afneemster worden van het stroo uit den N.O.polder.
De heer SIXMA zegt, dat vroeger veel stroocarton naar het
buitenland werd uitgevoerd. Thans worden hier door de industrie
veel kisten van carton vervaardigd, welke industrie na den oorlog
wel behouden zou kunnen blyven.
De heer DE GRAAF vraagt zich af, of het voor Amsterdam wel
aantrekkelyk is, dat die industrieën hier gevestigd zullen worden.
De heer VAN STEEN zegt, dit moeilyk te kunnen beoordeelen.
Een stroocartonfabriek werkt bv. het heele jaar, een suikerfabriek
daarentegen slechts enkele maanden.
De heer LULOFS acht het van groot belang voor Amsterdam, in-
dien deze industrieën hier gevestigd zullen worden.
De heer DE GRAAF wyst erop, dat de reiniging van het afval-
water van een stroocartonfabriek voor Amsterdam een groot pro-
bleem zal worden, terwyl het aantal arbeiders, dat in een zoodanige
fabriek te werk gesteld zal worden, niet groot is.
De heer LULOFS zegt, dat men ook moet kyken naar het secun-
daire werk, dat deze fabriek met zich brengt.
De heer VAN STEEN acht de kans op het oprichten van conser-
venfabrieken niet groot. Z.i. zal men zich in de toekomst meer
bezig houden met het drogen van groenten, hetgeen het voordeel
heeft, dat het afgewerkte product belangryk in gewicht is afgeno-
men, waardoor de vervoerskosten veel lager zullen zyn. Deze droge-
ryen zullen zich waarschynlyk in de productie-centra vestigen,
zooals nu reeds geschiedt met de grasdrogeryen. Bij de gewone con-
servenfabrieken weegt het afgewerkte product (de emballage buiten
beschouwing gelaten) even zwaar als de aangevoerde groente.
De heer SIXMA zegt, dat het procedé van het drogen in den
laatsten tyd veel verbeterd is, waardoor er groote kans bestaat
op ontwikkeling van deze industrie. In den wereldoorlog daaren-
tegen zyn de toen opgerichte drogeryen nagenoeg alle weer verdwe-
nen, doch dit kwam doordat het afgewerkte product lang niet zoo
goed was als thans.
Dienst P.W.
Amsterdam. Dit document is een verslag van een vergadering of technisch overleg binnen de Dienst der Publieke Werken van Amsterdam. De kern van de discussie draait om de economische en agrarische inrichting van de IJsselmeerpolders (met name de Wieringermeer en de Noordoostpolder) en de impact hiervan op Amsterdam.
Belangrijkste punten in de discussie:
1. Land- en Tuinbouw: De uitdagingen van de wind in de polders voor de fruitteelt (ooftbouw) en het belang van windsingels. Er wordt ook gerept over de specifieke bloembollenteelt in de Wieringermeer.
2. Industrialisatie: Men weegt de haalbaarheid af van verschillende soorten fabrieken in de polders:
* Suiker- en aardappelmeelfabrieken: Suikerbieten worden kansrijk geacht; aardappelen zijn van te hoge kwaliteit voor zetmeelproductie.
* Stroocarton- en cellulosefabrieken: Er is veel aanbod van stro; er is echter discussie over de milieu-impact (reiniging afvalwater) en de werkgelegenheid.
* Conserven vs. Drogeryen: Er is een sterke voorkeur voor het drogen van groenten boven het inblikken, vanwege de enorme besparing op transportkosten door gewichtsafname.
3. Belang voor Amsterdam: Er is onenigheid tussen de sprekers (o.a. De Graaf vs. Lulofs) of de vestiging van deze industrieën rond of voor Amsterdam gewenst is, waarbij milieuaspecten tegenover economische voordelen (secundaire werkgelegenheid) worden gezet. De tekst reflecteert de periode van de wederopbouw en de voortzetting van de Zuiderzeewerken. De Wieringermeer was de eerste polder (1930), gevolgd door de Noordoostpolder (drooggevallen in 1942). De discussie vindt waarschijnlijk plaats kort na de Tweede Wereldoorlog ("na den oorlog"), een tijd waarin Nederland zocht naar nieuwe economische impulsen en efficiënte voedselverwerking.
De spelling (bijv. "vry", "moeilyk", "den") is de overgangsspelling die vóór de officiële spellinghervorming van 1947 gebruikelijk was. De referentie naar de "wereldoorlog" (waarmee de Eerste Wereldoorlog wordt bedoeld in contrast met de huidige technieken) duidt op een historisch besef van industriële innovatie. De Dienst Publieke Werken van Amsterdam speelde een cruciale rol in de planologie en de verbinding tussen de stad en haar omliggende nieuwe land.