Handgeschreven verzoekschrift
Origineel
Handgeschreven verzoekschrift S. Speijer (Aantekeningen in de bovenmarge en stempels)
№ 103/29/1 [Stempel:] 21 NOV 1941 20 / 11
A/16/11/1941
m.i. Insp
(Hoofdtekst)
Mijnheer
Door omstandigheden voel ik mijn
verplicht om een gunst te vragen
Daar u weet ben ik jaren in
Bijouterie geweest nu moog ik
geen luxe artikelen verkopen
was ik genootzaakt galanterie
te koop te nemen daar ik nog
niet geheel thuis ben in die
handel moet ik enkele uren
per dag van mijn stal weg om
intekopen daar de magazijnen
zaterdag en zondag gesloten zijn
dus doe ik een beroep op uw
welwillendheid om mijn zoon te
mogen assisteren Hopende op
een gunstig antwoord
teken ik S Speijer
Waterlooplein 25 II
AD De brief is een formeel verzoek van S. Speijer aan een inspecteur (gezien de kantlijnnotitie "m.i. Insp"). De schrijver legt uit dat hij zijn beroepsuitoefening heeft moeten aanpassen: waar hij voorheen in bijouterieën (sieraden) handelde, is hij nu overgestapt op galanterieën (kleingoed/kantoorbehoeften), omdat hij geen luxe-artikelen meer mag verkopen.
Speijer geeft aan dat hij nog onervaren is in deze nieuwe handel en daarom overdag de markt moet verlaten om inkopen te doen bij magazijnen die in het weekend gesloten zijn. Hij vraagt toestemming ("een gunst") om zijn zoon hem te laten assisteren, vermoedelijk om de marktkraam ("stal") te bemannen tijdens zijn afwezigheid. Het handschrift is duidelijk, maar bevat enkele archaïsche of informele spellingen (zoals "moog" voor mag en "intekopen" als één woord). Het document dateert uit november 1941, een cruciale fase in de Duitse bezetting van Nederland. De afzender woonde aan het Waterlooplein, het hart van de Amsterdamse Joodse buurt. De vermelding dat hij geen "luxe artikelen" meer mag verkopen, verwijst direct naar de anti-Joodse maatregelen van de bezetter. Joodse ondernemers werden stapsgewijs uit de economie gedrukt; het verbod op handel in luxe goederen was een van de manieren om hun nering te beperken of over te nemen (arisering).
Het feit dat hij expliciet vraagt of zijn zoon mag assisteren, duidt op de strenge regulering van de markthandel en de noodzaak voor Joodse burgers om voor elke kleine afwijking van de regels officiële toestemming te vragen aan de autoriteiten. Dit verzoekschrift is een tastbaar voorbeeld van hoe de Joodse bevolking in Amsterdam probeerde te overleven binnen de steeds nauwer wordende marges van de bezettingswetgeving. S. Speijer