Handgeschreven verzoekschrift/brief.
Origineel
Handgeschreven verzoekschrift/brief. 19 november 1941. Alexander Vrachtdoender (Hofmeyerstraat 25 I, Amsterdam-Oost). Directeur van het Marktwezen, Amsterdam. Amsterdam 19/11 - 1941 [rechtsboven: mis Insp.]
Aan Den Wel Ed Heer Directeur der Marktwezen alhier
Ondergeteekende richt zich tot u met het volgende verzoek
Ondergeteekende is van jongs af vischventer en vent altijd
met zijn wagen, voor dat de markt aan de Joubertstraat
was in dier omgeving tot heden aantoe nog.
Nu heb ik het eerst afgekeken, om een Marktplaats
aan te vragen, maar door de Markt kan ik niets meer
verkoopen en mag daar in de omgeving niet verkoopen
Nu wordt u beleefd verzocht mij een plaats toe te wijzen
anders ben ik broodeloos voor mijn gezin, terwijl er op
de Markt Joubertstraat toch weinig visch, en zij die daar
een plaats hebben voor visch geen of weinig gebruik maken
van hun plaats
Ik ben op het Marktwezen wel bekend, daar ik in 1914 - 1918
onder beheer van den heer Klaasen en u Wel Ed Heer
Sixsma, thans Directeur, aangesteld was
om de regeerings visch uit te deelen voor Marktwezen
aan de venters en vensters alhier voor de Vischhandelaars
vereniging.
Daar ik Israeliet ben hoop ik dat u op mijn
verzoek zal inwilligen
Hoogachtend
Uw Dienaar
Alexander Vrachtdoender
Hofmeyerstraat No 25 I Oost
alhier
[Onderzijde stempel:]
No 104/4/1 M. 1941 20/11 In deze brief verzoekt Alexander Vrachtdoender, een visboer uit Amsterdam-Oost, om een vaste marktplaats op de markt in de Joubertstraat. De kern van zijn betoog is dat hij door de instelling van de markt en de bijbehorende regels niet langer met zijn handkar in de omliggende straten mag venten, waardoor hij zijn inkomen verliest ("broodeloos").
Vrachtdoender voert twee belangrijke argumenten aan om zijn verzoek kracht bij te zetten:
1. Historische loyaliteit: Hij refereert aan zijn werkzaamheden tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918), toen hij onder leiding van de huidige directeur (Sixsma) hielp bij de distributie van 'regeringsvis'.
2. Identiteit: Hij besluit zijn brief met de expliciete vermelding dat hij "Israeliet" (Joods) is.
De schrijfstijl is nederig ("Uw Dienaar") maar dringend. De brief is geschreven op gelinieerd papier in een duidelijk leesbaar handschrift. De brief dateert van november 1941, ruim anderhalf jaar na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. De context van de Jodenvervolging is hier essentieel. Vanaf 1941 werden er steeds strengere beperkende maatregelen opgelegd aan de Joodse bevolking, waaronder het verbod op deelname aan reguliere markten.
In september 1941 waren in Amsterdam specifieke "Jodenmarkten" aangewezen (onder andere aan de Joubertstraat en het Waterlooplein). Joodse handelaren mochten enkel nog daar staan, en Joodse burgers mochten enkel nog daar hun inkopen doen.
De opmerking van Vrachtdoender "Daar ik Israeliet ben hoop ik dat u op mijn verzoek zal inwilligen" moet in dit licht gezien worden: hij beroept zich waarschijnlijk op het feit dat hij als Joodse Nederlander nu aangewezen is op de specifieke Joodse marktvoorzieningen in zijn eigen buurt (de Transvaalbuurt). Het is een bittere illustratie van een burger die probeert te overleven binnen de steeds nauwer wordende mazen van de anti-Joodse wetgeving. Uit archiefonderzoek is bekend dat Alexander Vrachtdoender en zijn gezin de Holocaust niet hebben overleefd; hij werd in 1942 in Auschwitz vermoord. Marktwezen